Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1549

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-04-2014
Datum publicatie
08-05-2014
Zaaknummer
12-2391 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terecht herziening, terugvordering en maatregel. Niet voldaan aan inlichtingenverplichting. Nader besluit wordt in de beoordeling meegenomen(6:19). Verzwegen bankrekening met positief saldo en ontvangen giften. Geen recht op langdurigheidstoeslag. Rechtmatig huisbezoek en cautie gegeven. Gedaagde is uitgegaan van onjuiste gegevens bij het nemen van de besluiten; Raad voorziet zelf.

Wetsverwijzingen
Participatiewet
Participatiewet 18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2014/193

Uitspraak

12/2391 WWB, 13/5435 WWB

Datum uitspraak: 29 april 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van
12 april 2012, 10/2988 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Alkmaar (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A. van Deuzen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift en een nader besluit van 3 oktober 2013 ingediend.

Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Deuzen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door R. van Gelder.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontvangt vanaf 12 november 1981 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

Naar aanleiding van een anonieme melding van een medewerker van de gemeente Alkmaar inhoudende dat appellante een vriend heeft, die haar financieel onderhoudt, dat zij regelmatig verre vakantiereizen maakt en een riante manier van leven heeft, heeft de afdeling Handhaving van de gemeente Alkmaar (Handhaving) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In het kader van dit onderzoek heeft Handhaving - onder meer - bij het waterleidingbedrijf PWN verbruiksgegevens van het adres van appellante opgevraagd. Uit de door het waterleidingbedrijf toegezonden gegevens blijkt dat de wateraansluiting op naam van appellante staat en dat appellante de rekeningen voldoet via de op haar naam staande [bankrekening] (de bankrekening). De bankrekening heeft appellante niet gemeld bij het college. Nadat appellante in het kader van een heronderzoek niet alle gevraagde gegevens had overgelegd, heeft de klantmanager haar bij brief van 12 mei 2009 verzocht de afschriften van de bankrekening vanaf 12 november 1981 in te leveren. Appellante heeft schriftelijk laten weten dat zij deze rekening op 22 augustus 1995 heeft geopend. Zij kan niet alle gevraagde afschriften overleggen. De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in een rapportage onderzoek Hoogwaardig Handhaven van 2 juli 2009.

1.3.

De in 1.2 genoemde rapportage is reden geweest voor een nader onderzoek door de Sociale Recherche Noord-Holland-Noord (sociale recherche). In het kader van dat onderzoek heeft de sociale recherche - voor zover hier van belang - de ontbrekende afschriften bij de [bank] bank haar opgevraagd en ontvangen over de periode van 2 januari 2003 tot en met

23 oktober 2009. De conclusies van het onderzoek zijn neergelegd in een proces-verbaal Uitkeringsfraude inkomsten zwart/verzwegen bankrekening van 7 juni 2010.

1.4.

Naar aanleiding van de - in reactie op de herhaalde verzoeken om bewijsstukken van een vakantie - toegezonden brieven van appellante van 3 juni 2010, waarin zij spreekt over in december 2009 door haar ten behoeve van deze vakantie ontvangen giften ten bedrage van $ 700,- en € 1.000,-, heeft haar klantmanager met appellante op 15 juli 2010 een gesprek gehad. Tijdens dit gesprek heeft appellante verklaard dat zij dacht dat mensen zoals haar moeder en tante haar geldbedragen tot € 1.000,- mochten schenken. Na afloop van dit gesprek heeft een huisbezoek plaatsgevonden.

1.5.

Bij afzonderlijke besluiten van 21 juli 2010 heeft het college de bijstand van appellante over de periode van 1 juli 1997 tot en met 30 april 2009 ingetrokken op de grond dat appellante geen melding heeft gemaakt van de bankrekening, waarop onder andere oncontroleerbare stortingen zijn gedaan (besluit I), de bijstand van appellante herzien (lees: ingetrokken) over de periode van 1 december 2009 tot en met 24 januari 2010 op de grond dat appellante over voldoende middelen (giften) kon beschikken om te voorzien in de algemene kosten van levensonderhoud (besluit II) en bij wijze van maatregel met ingang van 1 augustus 2010 de bijstand van appellante met 10% verlaagd voor de duur van een maand (besluit III). Aan besluit III heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft betoond door het verzwijgen van twee giften.

1.6.

Bij besluit van 28 juli 2010 (besluit IV) heeft het college de kosten van bijstand over de periode van 1 juli 1997 tot 1 mei 2009 tot een bedrag van € 143.793,36 van appellante teruggevorderd. Bij besluit van 27 juli 2010 (besluit V) heeft het college de kosten van bijstand over de periode van 1 december 2009 tot en met 24 januari 2010 tot een bedrag van

€ 1.749,92 van appellante teruggevorderd.

1.7.

Bij besluit van 11 november 2010 (besteden besluit) heeft het college de bezwaren van appellante tegen de primaire besluiten I en IV gegrond verklaard. Het college heeft de bijstand over de periode van 1 juli 1997 tot en met 30 april 2009 herzien en het terug te vorderen bedrag verlaagd tot € 100.927,18. Aan deze besluitvorming ligt ten grondslag dat met betrekking tot de periode van 1 juli 1997 tot en met 1 januari 2003, gelet op het ontbreken van nadere informatie, het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Met betrekking tot de periode van 2 januari 2003 tot en met 30 april 2009 heeft het college op grond van de naderhand ontvangen bankafschriften het recht op bijstand vastgesteld.

Voorts heeft het college de bezwaren van appellante tegen de primaire besluiten II, III en V ongegrond verklaard met dien verstande dat bij de maatregel weliswaar is uitgegaan van de bijstandsnorm in plaats van de norm voor een alleenstaande, maar dat appellante gelet op het bruto benadelingsbedrag waarvoor een verlaging van 20% voor de duur van een maand had dienen te worden opgelegd, niet is benadeeld.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Naar aanleiding van schriftelijke vragen van de Raad heeft het college bij besluit van

3 oktober 2013 (nadere besluit) het bestreden besluit op onderdelen gewijzigd en de bijstand over de periode van 2 januari 2003 tot en met 30 april 2009 herzien, het terug te vorderen bedrag over de periode van 1 juli 1997 tot en met 30 april 2009 verlaagd tot een bedrag van

€ 82.916,56 (besluiten I en IV) en de terugvordering (de Raad begrijpt eveneens de intrekking) van de bijstand van appellante over de periode van 1 december 2009 tot en met

24 januari 2010 (besluiten II en V) laten vervallen. Dit nadere besluit wordt op grond van het bepaalde in de artikelen 6:19, eerste lid, in verbinding met artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding in hoger beroep betrokken.

4.

Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellante erkent met betrekking tot de periode tot 1 januari 2003 dat het college gelet op het ontbreken van de bankafschriften het recht op bijstand niet kan vaststellen. Ten aanzien van de periode

2 januari 2003 tot en met 30 april 2009 heeft appellante wel alle gegevens overgelegd, zodat het recht op bijstand is vast te stellen. Het bedrag afkomstig van de assuradeur is ten onrechte tot de inkomsten van appellante gerekend, nu dit bedrag per abuis op haar bankrekening is overgeboekt. Mede op diezelfde gronden is appellante het niet eens met het nadere besluit. Verder stelt appellante dat het college bij de berekening van de teveel ontvangen bijstand ten onrechte de toegekende langdurigheidstoeslag en de energietoeslag heeft meegenomen. De opgelegde maatregel kan niet in stand blijven nu de grondslag hieraan is komen te ontvallen omdat het college de terugvordering in verband met de giften niet langer handhaaft. Ook heeft appellante aangevoerd dat ten onrechte geen cautie is gegeven en dat tijdens het huisbezoek niet duidelijk is vermeld wat de gevolgen van een weigering van de medewerking zijn. Ten slotte handhaaft appellante haar grond dat zij belang heeft bij kennisname van de anonieme tip.

5.

De Raad komt tot de volgende beoordeling

5.1.

De Raad stelt vast dat het college het bestreden besluit voor zover het ziet op de intrekking en de terugvordering van de bijstand voor de periode van 1 december 2009 tot en met 24 januari 2010 niet handhaaft, hetgeen betekent dat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

5.2.

Gelet op het nadere besluit en het verhandelde ter zitting is naast de opgelegde maatregel thans nog in geding de herziening van de bijstand over de periode van 2 januari 2003 tot en met 30 april 2009 en de terugvordering van de gemaakte kosten van bijstand over deze periode.

5.3.

Vaststaat dat appellante ten tijde in geding beschikte over de bankrekening. Niet in geschil is dat appellante in strijd met de op haar rustende inlichtingenverplichting geen melding heeft gemaakt van de bankrekening. Evenmin is in geschil dat met uitzondering van het ontvangen bedrag van [bedrijf] de op de bankrekening ontvangen bedragen als inkomsten van appellante kunnen worden aangemerkt en het college de bijstand met deze inkomsten terecht heeft herzien.

Ontvangen bedrag [bedrijf]

5.3.1.

Op de bankrekening van appellante is op 14 januari 2008 door[bedrijf] een bedrag van € 12.029,- overgemaakt. Op 28 januari 2008 is vervolgens een bedrag van

€ 12.000,- contant opgenomen. Appellante heeft aangevoerd dat het door de assuradeur overgemaakte bedrag niet aan haar toekwam, maar aan haar vriend die als eigenaar van een auto de geleden schade vergoed kreeg. Deze stelling van appelante houdt geen stand. Vaststaat dat appellante over de tegoeden van bankrekening kan beschikken en dat zij ook daadwerkelijk over dit geldbedrag heeft beschikt. Het betoog van appellante dat zij dit geldbedrag contant aan haar vriend zou hebben overgedragen heeft zij op geen enkele manier nader onderbouwd. De brief van de[bedrijf] waarin wordt gesteld dat het bedrag abusievelijk aan appellante is overgemaakt, is hiertoe niet toereikend. Vaststaat immers dat appellante de verzekeringnemer was van de auto in verband waarmee een schadebedrag is uitgekeerd. Nu verder vaststaat dat appellante dit bedrag contant heeft opgenomen, heeft het college dit als inkomen van appellante kunnen aanmerken en het recht op bijstand over de maand januari 2008 terecht herzien en vastgesteld op nihil.

Langdurigheidstoeslag

5.3.2.

Het betoog van appellante dat gelet op de herziening en terugvordering achteraf gezien haar inkomen in die maanden een bedrag niet hoger dan de toepasselijke norm bedraagt en zij recht heeft behouden op de langdurigheidstoeslag, slaagt niet. Niet in geschil is dat appellante in de referteperioden inkomsten heeft ontvangen als gevolg waarvan zij toentertijd daadwerkelijk een inkomen heeft gehad dat hoger is dan de bijstandsnorm, dan wel dat het recht op bijstand gelet op deze inkomsten niet meer is vast te stellen. De omstandigheid dat appellante later een bedrag aan kosten van bijstand dient terug te betalen kan, ook al ziet dat bedrag op een gedeelte van die referteperiode, hieraan niet afdoen.

Toeslag energiekosten

5.3.3.

Het college heeft ter zitting erkend dat hij ten onrechte de toegekende toeslag ten behoeve van energiekosten heeft teruggevorderd. Dit betekent dat het hoger beroep van appellante in zoverre slaagt en het nadere besluit voor zover het de herziening van de in de maand januari 2007 toegekende energietoeslag tot een bedrag van € 65,- betreft en de gehele terugvordering niet in stand kan blijven.

Maatregel

5.4.

Het college heeft aan de opgelegde maatregel ten grondslag gelegd dat appellante door geen melding te maken van de door haar ontvangen giften tekortschietend besef van verantwoordelijkheid heeft betoond van de voorziening in het bestaan.

5.4.1.

Niet in geschil is dat appellante haar inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van de door haar ontvangen giften. Gelet op de schending van de wettelijke inlichtingenverplichting was het college ingevolge artikel 18, tweede lid, van de WWB, in verbinding met artikel 13 van de Maatregelenverordening WWB gemeente Alkmaar gehouden om met ingang van 1 augustus 2010 een maatregel van 10% op te leggen. Gelet op deze bepaling wordt bij schending van de inlichtingenverplichting ook zonder dat sprake is van een benadelingsbedrag, de bijstand verlaagd, zodat het betoog van appellante dat de grondslag aan de maatregel is komen te ontvallen niet slaagt.

5.4.2.

Anders dan appellante stelt blijkt uit het verslag van het gesprek van 15 juli 2010 dat aan appellante is meegedeeld dat zij het recht heeft om te zwijgen over de redenen van de schending van de inlichtingenverplichting. Geen aanleiding bestaat om aan te nemen dat de weergave van het gesprek in dit verslag niet juist is, zodat aannemelijk is dat aan appellante de cautie is gegeven.

5.4.3.

Ter zitting heeft het college echter erkend dat het is uitgegaan van een onjuiste norm en de bijstand met een te hoog bedrag heeft verlaagd. Dit brengt met zich mee dat de opgelegde maatregel niet in stand kan blijven. Gelet op de onder 5.4.1 genoemde artikelen had het college aan appellante een maatregel van 10% van de alleenstaande norm moeten opleggen.

Anonieme tip

5.5.

Ten slotte heeft appellante naar voren gebracht dat zij recht heeft op inzage van het origineel van de anonieme tip. Vaststaat dat de inhoud van de anonieme tip in de onder 1.2 genoemde rapportage is opgenomen en dat appellante in die zin kennis heeft kunnen nemen van de inhoud van de melding en daarmee de aanleiding van het onderzoek. Nu appellante verder desgevraagd niet nader heeft kunnen duiden wat zij met deze grond beoogt en evenmin betwist dat het college bevoegd is onderzoek in te stellen naar de juistheid en volledigheid van de verstrekte gegevens en zo nodig naar andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de verlening dan wel de voortzetting van bijstand, gaat de Raad aan deze grond voorbij.

5.6.

Dit geldt ook ten aanzien van het betoog van appellante dat tijdens het huisbezoek niet overeenkomstig de jurisprudentie van de Raad is gehandeld. Ter zitting heeft appellante desgevraagd niet nader kunnen duiden welke relatie het op 15 juli 2010 afgelegde huisbezoek tot de thans in geding zijnde besluiten heeft en tevens erkend dat het college ten aanzien van de rechtmatigheid en het in dat verband gedane verzoek om schadevergoeding reeds bij besluit van 11 april 2011 op bezwaar heeft beslist. De rechtbank heeft dan ook terecht de beoordeling over de rechtmatigheid van het huisbezoek op 15 juli 2010 buiten beschouwing gelaten.

Overig

6.

Uit 5.3.4 volgt dat het college bevoegd was de bijstand over de periode van 2 januari 2003 tot en met 30 april 2009 te herzien en de gemaakte kosten van bijstand van appellante over die periode terug te vorderen, met uitzondering van het bedrag aan energietoeslag in de maand januari 2007 tot een bedrag van € 65,-. Uit 5.4.3 volgt dat het college bevoegd was tot het opleggen van een maatregel maar daarbij het bedrag waarmee de bijstand is verlaagd te hoog heeft vastgesteld. Uit 5.1 en het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep van appellante tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dat besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb vernietigen. De Raad zal het beroep van appellante gericht tegen het nadere besluit gegrond verklaren en dit besluit vernietigen voor zover het de herziening van de energietoeslag over de maand januari 2007 en de terugvordering betreft. De Raad ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien door de maatregel vast te stellen op een bedrag van € 91,31 en het terug te vorderen bedrag over de periode van 1 juli 1997 tot en met 30 april 2009 vast te stellen op € 82.851,56.

7.

Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 1.217,50 voor in hoger beroep en op € 974,- voor in beroep verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 11 november 2010 gegrond;

- vernietigt het besluit van 11 november 2010;

- herroept besluit III;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 3 oktober 2013 gegrond;

- vernietigt het besluit van 3 oktober 2013, voor zover dit betrekking heeft op de herziening

van de bijstand van appellante in verband met de toegekende energietoeslag en de

terugvordering;

- herroept de besluiten I en IV in zoverre;

- bepaalt dat de maatregel wordt vastgesteld op een bedrag van 10% van de norm voor een

alleenstaande, zijnde € 91,31;

- bepaalt dat de terugvordering wordt vastgesteld op een bedrag van € 82.851,56 en bepaalt

dat deze uitspraak voor wat betreft de maatregel in de plaats treedt van het besluit van
11 november 2010 en voor zover het ziet op de herziening ter hoogte van de energietoeslag
en de terugvordering van het vernietigde gedeelte van het besluit van 3 oktober 2013;

- veroordeelt het college in de kosten van appellante tot een bedrag van € 2.191,50;

- bepaalt dat het college aan appellante het door haar in hoger beroep betaalde griffierecht van

€ 115,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en M. Hillen en

G.M.G. Hink als leden, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 april 2014.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) A.C. Oomkens

HD