Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1544

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-05-2014
Datum publicatie
13-05-2014
Zaaknummer
13-1293 WSF
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering studiefinanciering. Niet woonachtig op het GBA-adres. Huisbezoek. De rechtbank heeft terecht aan de verklaring van de zus van appellant minder waarde gehecht dan aan de in het rapport van de controleurs neergelegde bevindingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/1293 WSF

Datum uitspraak: 7 mei 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 28 januari 2013, 12/7748 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.B. Spaargaren, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 februari 2014. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Spaargaren. De Minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.J.M. Naber.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant heeft studiefinanciering aangevraagd voor zijn opleiding aan het ROC in Leiden. Op het aanvraagformulier heeft hij vermeld dat hij uitwonend is op het adres [adres 1] te [woonplaats]. Op basis van - onder meer - deze gegevens is aan appellant studiefinanciering met ingang van 1 januari 2010 toegekend, berekend naar de norm voor een uitwonende studerende. Deze toekenning is over het jaar 2012 geprolongeerd.

1.2. Op 23 januari 2012 hebben twee controleurs in opdracht van de Minister een huisbezoek afgelegd op het door appellant bij zijn aanvraag opgegeven adres om te controleren of appellant op dit adres woonachtig was. Van het huisbezoek is op 24 januari 2012 een rapport opgemaakt.

1.3. De Minister heeft op basis van het onder 1.2 genoemde rapport de aanvankelijk over 2012 aan appellant toegekende studiefinanciering herzien, in die zin dat appellant bij besluit van 10 februari 2012 vanaf 1 januari 2012 als thuiswonende studerende is aangemerkt. Het over de maand januari 2012 aan appellant te veel betaalde bedrag van € 190,54 is daarbij van hem teruggevorderd.

1.4. Bij besluit van 17 februari 2012 heeft de Minister aan appellant een bestuurlijke boete opgelegd van € 95,27 omdat appellant niet woont op het adres waarop hij in de Gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) is ingeschreven.

1.5. De Minister heeft het tegen de besluiten van 10 en 17 februari 2012 door appellant gemaakte bezwaar bij besluit van 29 juni 2012 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daartoe is gesteld dat uit het onderzoek dat door de controleurs is verricht, is gebleken dat appellant niet woont in het appartement op het adres [adres 1] te [woonplaats]. In het appartement werden geen spullen aangetroffen die aantoonbaar aan appellant toebehoren. Dat die spullen er niettemin waren, zoals door appellant in bezwaar is gesteld, acht de Minister niet geloofwaardig, nu het om een klein appartement gaat en een van de bewoners die de controleurs heeft rondgeleid niets anders heeft getoond dan een tas met enkele kledingstukken die aan appellant zouden toebehoren. De hoeveelheid aangetroffen kleding en de plaats waar deze is aangetroffen maken ook niet aannemelijk dat appellant in het appartement woonde. Appellant had bovendien geen eigen kamer, maar hij zou slapen op een bank in de woonkamer, dan wel op een matras dat op de momenten dat het niet werd gebruikt opgerold op de slaapkamer werd bewaard. Aan de door appellant overgelegde poststukken die aan hem zijn gericht op het adres [adres 1] te [woonplaats] hecht de Minister geen betekenis nu van een deel van de afzenders bekend is dat zij (altijd) het GBA-adres hanteren, terwijl voor een ander deel van de post niet kan worden uitgesloten dat het naar [adres 1] te [woonplaats] is gestuurd omdat appellant dat adres als postadres hanteerde. Uit de poststukken kan daarom niet worden afgeleid dat appellant feitelijk op het adres woonde. Dat hij vanwege een problematische gezinssituatie niet thuis kan wonen, betekent nog niet dat appellant feitelijk woont op zijn GBA-adres.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de Minister uit het rapport van de controleurs de conclusie heeft mogen trekken dat appellant feitelijk niet op zijn

GBA-adres woonde. De rechtbank heeft daarbij onder meer van belang geacht dat appellant geen eigen kamer had en dat er tijdens het huisbezoek geen zaken zijn getoond waarvan zeker is dat die aan appellant toebehoren. De gestelde matige taalbeheersing van de bewoner die de controleurs heeft rondgeleid is onvoldoende om aan te nemen dat hij de hem gestelde vragen niet heeft begrepen. Aan de verklaring van de zus van appellant hecht de rechtbank minder waarde dan aan de in het rapport van de controleurs neergelegde bevindingen, waarbij de rechtbank de familierelatie tussen de betrokkenen heeft meegewogen. De rechtbank heeft de stelling van de Minister dat appellant vaak bij zijn zus logeert en dat het daarom voelt alsof hij daar woont, aannemelijk geacht.

3.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de bevindingen van de controleurs en de verklaring van de bewoner die hen in de woning heeft rondgeleid met de nodige voorzichtigheid moeten worden benaderd en dat deze niet doorslaggevend mogen zijn bij de afweging of appellant woont op zijn GBA-adres. Hierbij is gewezen op het feit dat deze bewoner geen Nederlands spreekt en dat zijn Engels, de taal waarin hij met de controleurs heeft gecommuniceerd, gebrekkig is. Appellant heeft er verder op gewezen dat de verklaring die zijn zus ter zitting bij de rechtbank onder ede heeft afgelegd niet terzijde mocht worden geschoven om de enkele reden dat die verklaring afkomstig is van een familielid. Tot slot is nog gewezen op de in de bezwaarfase overgelegde verklaring van een vriend van appellant. Tegen de opgelegde boete, die door de rechtbank in stand is gelaten, zijn geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd.

4.

De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Appellant is sinds 22 oktober 2009 in de GBA ingeschreven op het adres [adres 1] te [woonplaats]. Blijkens de in het rapport van 24 januari 2012 neergelegde, niet weersproken, beschrijving van de controleurs die het huisbezoek hebben afgelegd betreft dit een woning met één slaapkamer. Naast appellant zijn drie andere volwassen personen op dit adres ingeschreven.

4.2.

Uit het rapport komt naar voren dat de bewoner die de controleurs heeft rondgeleid iets heeft verklaard over de slaapplaats van appellant, over het opgerolde matras, over de kleding van appellant en over diens regelmatige verblijf elders bij vrienden. Deze gegevens, die in latere stadia van de procedure ook door appellant zijn bevestigd, laten er geen misverstand over bestaan dat de bewoner en de controleurs elkaar hebben begrepen. Daaruit kan in ieder geval niet worden afgeleid dat - overigens voor het eerst in beroep naar voren gebrachte - communicatie- en taalproblemen tussen deze bewoner en de controleurs in de weg hebben gestaan aan het afleggen van een adequate verklaring met betrekking tot het wonen van appellant.

4.3.

Hetgeen blijkens het rapport van de controleurs (niet) op adres is aangetroffen rechtvaardigt, bezien in het licht van de overige feiten, de uit het rapport getrokken conclusie dat appellant ten tijde van de controle niet woonde op zijn GBA-adres. Niet alleen is van belang dat appellant geen eigen kamer heeft, dat er van hem in het appartement geen persoonlijke bezittingen zijn aangetroffen, en dat slechts enkele kledingstukken van hem zijn getoond, maar ook dat de woning (één slaapkamer, één woonkamer en één berging) zich niet leent voor (langdurige) bewoning door (drie van) de vier op het adres ingeschreven volwassen personen. Juist indien - zoals door appellant ook wordt erkend - er sprake is van een ongebruikelijke woonsituatie, die op het moment van de controle al enkele jaren zou hebben geduurd, mag van degene die stelt op een bepaald adres te wonen worden verwacht dat hij overtuigend en met verifieerbare gegevens onderbouwt dat hij daar ook feitelijk woont.

Tegenover de waarneming van de controleurs en de verklaring van de bewoner die hen heeft rondgeleid, heeft appellant de (in beroep onder ede afgelegde) verklaring van zijn zus en de (schriftelijke) verklaring van een vriend ingebracht.

De rechtbank heeft terecht aan de verklaring van de zus van appellant minder waarde gehecht dan aan de in het rapport van de controleurs neergelegde bevindingen. Vastgesteld kan worden dat deze verklaring op enkele essentiële punten afwijkt van wat de controleurs hebben waargenomen. Zo hebben de controleurs blijkens het rapport de (kleine) berging gezien, waarbij is vastgesteld dat daar zich achterin een tas bevond met kleding. In het rapport is geen melding gemaakt van een kledingrek dat zich - volgens de verklaring van de zus van appellant - daar ook zou hebben bevonden en waarvan - als het er zou hebben gestaan - zou mogen worden aangenomen dat het mede gezien de grootte van de berging zou zijn gezien door de controleurs, maar ook dat de bewoner dit zou hebben getoond en daarover zou hebben verklaard dat zich daaraan de kleding van appellant bevond. Vastgesteld kan verder worden dat door appellant in bezwaar geen melding is gemaakt van dit kledingrek, terwijl dat gelet op het rapport van de controleurs wel voor de hand had gelegen. Ook de boeken, schoenen en administratie van appellant zou zich volgens de verklaring van de zus in de berging hebben bevonden, maar ook deze zijn daar gezien noch getoond. Van enige aanleiding om te twijfelen aan de waarneming van de controleurs of de volledigheid van hun rapport is geen sprake. Aldus bevat de verklaring van de zus informatie die, in het licht van wat zich overigens aan gegevens in het dossier bevindt en hetgeen daarin juist ontbreekt, voldoende twijfel oproept over de betrouwbaarheid van die verklaring. Daarom kan aan deze verklaring niet de waarde worden gehecht zoals appellant voorstaat om daaraan niet de waarde te hechten die appellant eraan gehecht wil zien.

De korte verklaring van de vriend van appellant legt tenslotte onvoldoende gewicht in de schaal om aan het rapport van de controleurs en de uit hun bevindingen getrokken conclusies te twijfelen.

4.4.

Wat is overwogen in 4.1 tot en met 4.3 leidt tot de slotsom dat de rechtbank het bestreden besluit, zowel voor wat betreft de herziening als voor wat betreft de boete, terecht in stand heeft gelaten. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5.

Nu het hoger beroep niet slaagt, de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit in stand blijven, is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter en I.M.J. Hilhorst-Hagen en

D.S. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van M.P. Ketting als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2014.

(getekend) J. Brand

(getekend) M.P. Ketting

IJ