Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1540

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-05-2014
Datum publicatie
13-05-2014
Zaaknummer
12-5905 WW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2012:5589, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomsten als zelfstandige. Terugvordering het te veel betaalde voorschot. Beroep op vertrouwensbeginsel faalt. Noch uit het verslag van dat gesprek noch uit de overige gedingstukken volgt dat Meijer appellant heeft meegedeeld dat uitsluitend inkomsten als zelfstandige over 2008 in aanmerking zouden worden genomen bij de verrekening van de inkomsten na afloop van de startperiode.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/5905 WW

Datum uitspraak: 7 mei 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van

28 september 2012, 12/333 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft S. de Jong hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 26 maart 2014. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is met ingang van 1 februari 2008 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Bij besluit van 6 mei 2008 heeft het Uwv appellant voor de periode van 5 mei 2008 tot en met 2 november 2008 toestemming verleend om met behoud van uitkering werkzaamheden te gaan verrichten om van start te gaan met een eigen bedrijf. De uitkering over deze startperiode is als voorschot betaald.

1.2. Bij brieven van 20 november 2008 en 28 januari 2009 heeft het Uwv appellant onder meer bericht: “Op uw WW-uitkering van 5 mei 2008 tot 3 november 2008 moet 70% van uw inkomsten uit uw zelfstandig ondernemerschap in mindering worden gebracht. Voor het vaststellen van deze inkomsten moeten wij uitgaan van uw belastbare winst uit uw onderneming over de kalenderjaren 2008. Wij zullen u t.z.t. vragen ons hierover te informeren.” Op verzoek van appellant is zijn WW-uitkering per 3 november 2008 beëindigd, omdat hij volledig als zelfstandig ondernemer werkt.

1.3. Bij besluit van 4 oktober 2011 heeft het Uwv vastgesteld dat aan appellant, in verband met zijn inkomsten als zelfstandige, te veel voorschot is betaald en is een bedrag van

€ 6.752,20 van hem teruggevorderd. Appellant heeft daartegen bezwaar gemaakt. Volgens appellant mocht hij erop vertrouwen dat alleen de belastbare winst van 2008 voor de verrekening genomen zal worden. Bij besluit van 7 februari 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard. Volgens het Uwv is van uitdrukkelijke en ondubbelzinnige toezeggingen geen sprake geweest.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank slaagt het beroep op het vertrouwensbeginsel niet. Gelet op artikel 5 van het Inkomstenbesluit WW heeft het Uwv terecht besloten dat appellant een bedrag van € 6.752,20 van de door appellant ontvangen voorschotten op de WW-uitkering moet terugbetalen.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep zijn beroep op het vertrouwensbeginsel herhaald met verwijzing naar de inhoud van de brieven van 20 november 2008 en 28 januari 2009. De

re-integratiecoach P. Meijer heeft duidelijk te kennen gegeven dat het alleen om (de belastbare winst over kalenderjaar) 2008 gaat. Om die reden is de berekening van het bedrag dat moet worden terugbetaald, onjuist.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ten tijde hier in geding was artikel 3 van het Besluit vaststelling inkomsten startende zelfstandigen van toepassing (zie de uitspraak van 20 februari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1790). Uit de in dat artikel opgenomen formule voor de berekening van de inkomsten uit arbeid van de startende zelfstandige volgt dat zowel de inkomsten over het aanvangsjaar als de inkomsten over het jaar na het aanvangsjaar in die berekening moeten worden betrokken.

4.2.

In geschil is of door het Uwv bij appellant een in rechte te honoreren vertrouwen is gewekt dat uitsluitend zijn inkomsten over 2008 in aanmerking worden genomen bij de verrekening van de bij wijze van voorschot betaalde WW-uitkering over de periode van

5 mei 2008 tot en met 2 november 2008.

4.3.

Een beroep op het vertrouwensbeginsel kan volgens vaste rechtspraak

(CRvB 19 november 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK4735) alleen slagen als het tot beslissen bevoegde orgaan uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezeggingen heeft gedaan, die bij de betrokkene gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt. De in overweging 1.2 genoemde brieven van het Uwv bevatten geen uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezeggingen over het bij de verrekening buiten beschouwing laten van inkomsten over het jaar 2009. De inhoud van die brieven kan bovendien niet gedragsbepalend zijn geweest voor het handelen of nalaten van appellant voor of tijdens de startperiode, omdat de brieven pas na afloop van die periode zijn verzonden.

4.4.

Uit de gedingstukken komt alleen naar voren dat appellant op 2 november 2008 met Meijer heeft gesproken over zijn re-integratie. Noch uit het verslag van dat gesprek noch uit de overige gedingstukken volgt dat Meijer appellant heeft meegedeeld dat uitsluitend inkomsten als zelfstandige over 2008 in aanmerking zouden worden genomen bij de verrekening van de inkomsten na afloop van de startperiode.

4.5.

Uit 4.3 en 4.4 volgt dat de rechtbank het beroep op het vertrouwensbeginsel terecht heeft verworpen.

4.6.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en M. Greebe en

C.C.W. Lange als leden, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2014.

(getekend) G.A.J. van den Hurk

(getekend) Z. Karekezi

JvC