Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1537

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-05-2014
Datum publicatie
08-05-2014
Zaaknummer
12-2784 AWBZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om AWBZ-zorg voor de functies begeleiding en persoonlijke verzorging. De Raad kan het Centrum indicatiestelling zorg evenals de rechtbank niet volgen in het standpunt dat behandeling vanuit de Zvw door middel van cognitieve gedragstherapie eventueel aangevuld met aanpassing van de medicatie voorliggend op de inzet van AWBZ-zorg is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/2784 AWBZ

Datum uitspraak: 7 mei 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 4 april 2012, 11/581 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

Centrum indicatiestelling zorg (appellant)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. P. Gerritsen, advocaat, een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 februari 2014. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.M.R. Kater. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door

mr. Gerritsen en door M. Cordes als tolk.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant heeft betrokkene in verband met zijn psychiatrische problematiek bij besluit van 26 januari 2010 op grond van het bepaalde bij en krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) geïndiceerd voor begeleiding individueel, klasse 2, voor de periode van 26 januari 2010 tot en met 25 januari 2011.

1.2.

Betrokkene heeft bij appellant op 7 december 2010 een aanvraag om AWBZ-zorg voor de functies begeleiding en persoonlijke verzorging ingediend.

1.3.

Bij besluit van 12 januari 2011 heeft appellant de aanvraag afgewezen.

1.4.

Bij besluit van 3 mei 2011 (bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar tegen het besluit van 12 januari 2011 ongegrond verklaard. Daaraan is, voor zover hier van belang, ten grondslag gelegd dat betrokkene geen aanspraak op AWBZ-zorg heeft, aangezien behandeling vanuit de Zorgverzekeringswet (Zvw) mogelijk en voorliggend op de inzet van AWBZ-zorg is. De medisch adviseur van appellant heeft op grond van onderzoek naar de medische situatie van betrokkene vastgesteld dat naar verwachting met adequate behandeling verbetering ten aanzien van het psychisch functioneren te verwachten is. Op grond van de aanwezige gegevens wordt niet duidelijk of betrokkene is behandeld volgens de richtlijn angststoornissen met bijvoorbeeld cognitieve therapie zoals in het verleden is geadviseerd. Behandeling door middel van cognitieve gedragstherapie eventueel aangevuld met aanpassing van de medicatie kan duidelijke verbetering ten aanzien van het functioneren geven.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. Verder heeft de rechtbank het besluit van 12 januari 2011 herroepen en bepaald dat de bij besluit van 26 januari 2010 gegeven indicatie voor begeleiding individueel, klasse 2, van kracht blijft tot zes weken na de datum van verzending van de uitspraak. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat appellant niet kan worden gevolgd in het standpunt dat behandeling vanuit de Zvw voorliggend is. Betrokkene heeft namelijk onweersproken gesteld dat het traject van cognitieve gedragstherapie al in 2007 werd ingezet en dat zijn medicatiegebruik de resultante is van een traject waarbij is gezocht naar de voor hem meest passende medicatie. Betrokkene heeft daarbij gewezen op een brief van 19 februari 2007 van de psychiater die hem toen behandelde. In dit verband heeft de rechtbank vooral van belang geacht dat appellant weliswaar heeft gewezen op een verzoek om informatie aan de behandelende psychiater van 16 maart 2011, waarop kennelijk geen reactie meer is ontvangen, maar daarmee geen acht heeft geslagen op de brief van 1 februari 2011 van de behandelende psychiater waarin de sedert langere tijd bestaande situatie is beschreven.

3.1.

Appellant heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Ook in hoger beroep stelt appellant zich onder verwijzing naar het onderzoek van de medisch adviseur op het standpunt dat betrokkene geen aanspraak op AWBZ-zorg in de vorm van begeleiding heeft, aangezien behandeling vanuit de Zvw voorliggend op de inzet van AWBZ-zorg is.

3.2.

Betrokkene heeft zich achter de aangevallen uitspraak gesteld.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In de onder 2 genoemde brief van 19 februari 2007 heeft de destijds behandelende psychiater meegedeeld dat bij betrokkene als diagnose onder andere een paniekstoornis met agorafobie is gesteld en dat als behandeling farmacotherapie en cognitieve gedragstherapie is ingesteld. In de onder 2 genoemde brief van 1 februari 2011 heeft de behandelende psychiater meegedeeld dat betrokkene al enkele jaren wordt behandeld met medicatie in verband met angsten en somberheid. De psychische toestand van betrokkene is betrekkelijk stabiel, maar ten opzichte van een jaar geleden niet wezenlijk verbeterd. Betrokkene is dan ook nog steeds aangewezen op individuele begeleiding.

4.2.

Gelet op de onder 4.1 genoemde medische informatie kan de Raad appellant evenals de rechtbank niet volgen in het standpunt dat behandeling vanuit de Zvw door middel van cognitieve gedragstherapie eventueel aangevuld met aanpassing van de medicatie voorliggend op de inzet van AWBZ-zorg is. Ook de na het bestreden besluit uitgebrachte adviezen van de medisch adviseur van appellant van 20 december 2011 en 9 februari 2012 bevatten geen (nieuwe) concrete medische informatie waaruit blijkt dat behandeling vanuit de Zvw in dit geval voorliggend is op de inzet van AWBZ-zorg.

4.3.

Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5.

Er bestaat aanleiding appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze vergoeding wordt vastgesteld op € 974,- aan kosten voor rechtsbijstand en

€ 39,80 voor reiskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- veroordeelt appellant tot vergoeding van de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van
€ 1.013,80;

- bepaalt dat van appellant een griffierecht van € 466,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en W.H. Bel en

G. van Zeben-de Vries als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2014.

(getekend) R.M. van Male

(getekend) E. Heemsbergen

IJ