Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1535

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-04-2014
Datum publicatie
07-05-2014
Zaaknummer
12-5609 AOW
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2015:847, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning gedeeltelijk AOW-pensioen: Niet gesproken kan worden van kortere periodes van verzekerd zijn, eventueel afgewisseld met perioden van niet-verzekerd zijn. De veronderstelde tijdelijke band met de Nederlandse rechtssfeer voor niet-Nederlandse zeelieden aan boord van zeeschepen met een Nederlandse thuishaven geldt, gezien het voorgaande, niet voor appellant. Hij heeft zich in ieder geval sinds november 1964 steeds bevonden in de Nederlandse rechtssfeer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2015/37

Uitspraak

12/5609 AOW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van

5 september 2012, 12/3156 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

Datum uitspraak: 4 april 2014

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. drs. E.C. Spiering hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend. Voorts heeft de Svb bij brief van 11 oktober 2013 zijn standpunt nog nader toegelicht naar aanleiding van vragen van de Raad.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 oktober 2013. Namens appellant is daarbij verschenen mr. drs. Spiering. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door
H. van der Most en mr. A. van der Weerd.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is [in] 1947 geboren op Kaapverdië. Vanaf 4 november 1964 tot in 1979 heeft appellant - met korte onderbrekingen - gewerkt aan boord van zeeschepen met een Nederlandse thuishaven. Hij bezat toentertijd de Portugese nationaliteit. Sedert 8 januari 1979 is appellant ingeschreven in een Nederlands bevolkingsregister. Op 4 juli 1980 is appellant in Nederland gehuwd met [L.], die in februari 1973 vanuit Portugal naar Nederland was gekomen. Appellant en zijn echtgenote zijn sindsdien in Nederland blijven wonen en bezitten inmiddels de Nederlandse nationaliteit.

1.2. Bij besluit van 18 oktober 2011 heeft de Svb aan appellant een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) toegekend ter hoogte van 88% van het maximale pensioen voor iemand die gehuwd is of samenwoont. Daarbij heeft de Svb vermeld dat appellant niet verzekerd is geweest ingevolge de AOW van 8 maart 1962 tot en met

31 mei 1968, van 25 juli 1973 tot en met 11 oktober 1973 en van 19 november 1973 tot en met 11 december 1973.

1.3. Het door appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft de Svb bij besluit van

6 maart 2012 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat appellant op grond van de toen geldende Besluiten uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen (artikel 2, aanhef en onder k, van het Koninklijk Besluit van 17 januari 1963, Stb. 24 (KB 24), artikel 2, aanhef en onder m, van KB 24, zoals dit luidde met ingang van 1 januari 1965 en artikel 2, aanhef en onder m, van het Koninklijk Besluit van

18 oktober 1968, Stb. 575 (KB 575)) tot 1 juni 1968 niet verzekerd is geweest ingevolge de AOW. Vanaf die datum is appellant, met uitzondering van twee tijdvakken, verzekerd geweest krachtens de AOW, aanvankelijk op grond van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Portugese Republiek inzake sociale zekerheid van 12 oktober 1966, Trb. 1966, 294 (Verdrag) en nadien als ingezetene van Nederland. Verder heeft de Svb het beroep van appellant op de uitspraak van de Raad van 11 mei 2007 (ECLI:NL:CRVB:2007:BA7165) verworpen, omdat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij zich al vanaf oktober 1964 in de Nederlandse rechtssfeer heeft bevonden.

2.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat er onvoldoende grond is om aan te nemen dat een onderscheid naar nationaliteit onvoldoende gerechtvaardigd zou zijn, nu appellant slechts tijdens verlofperiodes aan de wal in Nederland verbleef. Tevens is opgemerkt dat het met terugwerkende kracht verbinden van rechtsgevolgen aan feiten en omstandigheden die geen betrekking hebben op het te beoordelen tijdvak van verzekering, voorbij gaat aan het verzekeringskarakter van de AOW en bovendien een te grote inbreuk vormt op het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel.

3.1.

Namens appellant is in hoger beroep het oordeel van de rechtbank betwist. Kort samengevat is aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte het standpunt van de Svb heeft onderschreven en dat er, mede gelet op de genoemde uitspraak van de Raad van 11 mei 2007, in zijn geval geen rechtvaardiging is voor het onderscheid naar nationaliteit in KB 24 en

KB 575.

3.2.

De Svb heeft verwezen naar het bij de rechtbank ingediende verweerschrift. Daarin is aangevoerd dat de Svb zich niet kan verenigen met de uitspraak van de Raad van 11 mei 2007, omdat voor het verschil in behandeling naar nationaliteit een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat. Daarbij is erop gewezen dat voor zeelieden toentertijd als aanknopingspunt voor de verzekering gold de woonplaats. Alleen voor zeelieden voor wie geen woonplaats aan de wal viel aan te wijzen, gold dat een schip met de thuishaven in Nederland ten opzichte van de bemanning geldt als een deel van Nederland. Ten aanzien van de verzekeringsplicht voor de volksverzekeringen is als aanvullende eis gesteld dat de betrokken zeeman de Nederlandse nationaliteit diende te hebben. Aldus zijn aan boord van het schip wonende zeelieden die slechts een zwakke territoriale band met Nederland hadden, uitgesloten van de verplichte verzekering. De Svb is van mening dat Nederland aldus de haar toekomende ruime beoordelingsvrijheid niet heeft overschreden. Daarbij is erop gewezen dat geen rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) bekend is over de doorwerking van een in het verleden gehanteerd onderscheid naar nationaliteit. Verder heeft de Svb aangevoerd dat de toetsingswijze van de Raad in de uitspraak van 11 mei 2007 een te grote inbreuk maakt op het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel, omdat aldus een onderscheid wordt gemaakt tussen verschillende groepen zeelieden en voorbij wordt gegaan aan het verzekeringskarakter van de AOW. Ten slotte is gewezen op de uitspraak van de Raad van 17 mei 2011 (ECLI:NL:CRVB:2011:BQ6572), waarin het onderscheid naar nationaliteit van een persoon werkzaam op een Nederlands zeeschip voor de toepassing van de Ziektewet (ZW) voldoende gerechtvaardigd is geacht.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Tussen partijen is in geschil of de rechtbank terecht het standpunt van de Svb heeft onderschreven dat appellant gedurende het tijdvak van 4 november 1964, toen hij aanving met werkzaamheden aan boord van schepen met een thuishaven in Nederland, tot 1 juni 1968, toen het Verdrag in werking trad, niet verzekerd is geweest ingevolge de AOW.

4.2.

Appellant is op grond van de destijds geldende Besluiten uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen KB 24 en KB 575 niet verzekerd geweest ingevolge de AOW. In KB 24 en KB 575 was bepaald dat de vreemdeling die aan boord woonde en werkte van een zeeschip met een thuishaven in Nederland (destijds: binnen het Rijk) niet als verzekerde krachtens - onder meer - de AOW wordt aangemerkt. De Nederlander - en degene die op grond van een verdrag of een andere internationale overeenkomst gelijk moet worden gesteld met een Nederlander - in een vergelijkbare positie werd, op grond van artikel 3, tweede lid, van de AOW, wel verzekerd geacht. In laatstgenoemd artikellid was bepaald dat voor de beoordeling waar iemand woont schepen welke in Nederland hun thuishaven hebben, ten opzichte van de bemanning als deel van Nederland worden beschouwd. Zoals de Raad al eerder heeft geoordeeld op 30 oktober 1997 (PS Actua 1998/1/7) strekt dit artikellid ertoe om geschillen over de woonplaats van zeevarenden - met name ongehuwde zeevarenden - zoveel mogelijk te voorkomen. Ingaande 1 januari 1999 is een uitzonderingsbepaling ten aanzien van vreemdelingen zoals die was opgenomen in KB 24 en KB 575, niet langer opgenomen in het vanaf die datum geldende Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999.

4.3.

Vastgesteld moet worden dat in de diverse Besluiten uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen zoals die tot 1 januari 1999 hebben geluid, sprake is geweest van een direct onderscheid naar nationaliteit ten aanzien van zeelieden die aan boord van het zeeschip woonden. De Raad heeft al eerder geoordeeld in zijn uitspraak van 1 maart 2000 (ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8679) dat niet is gebleken dat dit directe onderscheid naar nationaliteit voor de jaren in geding strijdig moet worden geacht met enige internationaalrechtelijke bepaling.

4.4.

Zoals de Raad heeft overwogen in de uitspraak van 11 mei 2007 (ECLI:NL:CRVB:2007:BA7165) laat dit echter onverlet dat met betrekking tot (pensioen)aanspraken als hier aan de orde onder omstandigheden beoordeeld moet worden of de doorwerking van een in het verleden gemaakt - toentertijd niet discriminatoir - onderscheid in het kader van de verzekeringsplicht ook thans bij de vaststelling van de pensioenaanspraak nog voldoende gerechtvaardigd is. Uit het arrest van het EHRM van 4 juni 2002, nr. 34462/97 blijkt dat in ieder geval bij de toetsing van een gestelde schending van artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 1 van het Eerste Protocol (EP) bij het EVRM met betrekking tot een in het verleden gehanteerd onderscheid tussen gehuwde vrouwen en gehuwde mannen, dit toetsingskader gehanteerd moet worden. Deze beoordeling van het EHRM is geheel in lijn met de door het Hof van Justitie van de Europese Unie in onder meer de arresten Verholen (van 11 juni 1991, C-87/90) en Kauer (van 7 februari 2002, C-28/00) gekozen benadering binnen het communautaire recht. Het enkele feit dat in dit geschil een ander soort onderscheid - naar nationaliteit - aan de orde is doet niet af aan het uitgangspunt dat met betrekking tot pensioenaanspraken beoordeeld moet worden of de doorwerking van dat, inmiddels niet meer gehanteerde onderscheid, ook thans nog voldoende gerechtvaardigd is. Daarbij moet bij de beoordeling van de rechtvaardigingsgronden natuurlijk rekening worden gehouden met de aard van het aan de orde zijnde onderscheid.

4.5.

Het standpunt van de Svb, dat aldus een te grote inbreuk wordt gemaakt op het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel, omdat een onderscheid wordt gemaakt tussen verschillende groepen zeelieden en voorbij wordt gegaan aan het verzekeringskarakter van de AOW, wordt niet onderschreven. Onder verwijzing naar de noot van Keunen bij het arrest Kauer (RSV 2002/180) wordt erop gewezen dat de hiervoor beschreven wijze van toetsing er niet toe leidt dat een niet verzekerd tijdvak in het verleden plotseling verandert in een wel verzekerd tijdvak. Slechts indien achteraf beoordeeld geconstateerd moet worden dat geen sprake is geweest van een gerechtvaardigd onderscheid naar nationaliteit, mag de uitsluiting van de verzekering voor de AOW een betrokkene voor de toepassing van artikel 13 van de AOW niet meer worden tegengeworpen. Aldus wordt het beginsel ‘tempus regit actum’ ook slechts doorbroken in specifieke situaties waarin geconcludeerd moet worden dat een niet

- meer - te rechtvaardigen onderscheid voor een betrokkene in de toekomst niet langer nadelige consequenties mag hebben.

4.6.

Met betrekking tot de verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 17 mei 2011 moet vastgesteld worden dat die uitspraak betrekking heeft op een geheel andere feitelijke situatie. Ten eerste betrof het in die zaak de toepassing van artikel 9 van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden werknemersverzekeringen 1990 (Besluit). In dit artikel is

- anders dan in het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 - nog steeds bepaald dat niet verzekerd is voor de werknemersverzekeringen de vreemdeling die deel uitmaakt van de bemanning van een zeevaartuig en woont aan boord van het schip. Verder betrof de genoemde zaak een geschil over de aanspraak op ziekengeld ingevolge de ZW en is vastgesteld dat de betrokkene op grond van artikel 415a van het Wetboek van Koophandel (WvK) recht had op betaling van loon tijdens ziekte. De aanspraak die de betrokkene aan het WvK kon ontlenen, was niet ongunstiger dan zijn eventuele aanspraak op grond van de ZW.

4.7.

De vraag die ter beantwoording voorligt is derhalve of de doorwerking van het destijds geoorloofde onderscheid naar nationaliteit in het bestreden besluit ook thans voldoende rechtvaardiging vindt. Deze vraag wordt ontkennend beantwoord. Voor het gemaakte onderscheid naar nationaliteit voor werkenden aan boord van zeeschepen is, blijkens de toelichting bij het vanaf 1 januari 1959 geldende Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen, als rechtvaardiging gegeven de tijdelijkheid van het wonen en werken aan boord van vreemdelingen en de ongewenstheid van het voor hen laten ontstaan van verzekeringstijdvakken voor kortere periodes. Voor Nederlanders werd het juist als ongewenst beschouwd dat voor hen hiaten in de verzekerde periodes zouden optreden indien het (tijdelijk) wonen en werken aan boord van zeeschepen met Nederlandse thuishavens niet als verzekerde tijdvakken zouden worden aangemerkt.

Daargelaten de vraag of deze rechtvaardiging voor het maken van een direct onderscheid naar nationaliteit in het algemeen thans rechtens acceptabel zou zijn, moet geconcludeerd worden dat in de specifieke situatie van appellant deze rechtvaardiging in ieder geval niet voldoende is. Immers, appellant is in oktober 1964 naar Nederland gekomen, heeft vanaf 4 november 1964 alleen op zeeschepen met een Nederlandse thuishaven gewoond en gewerkt tot het moment dat hij zich in 1979 in Nederland vestigde en hij in 1980 huwde met een in Nederland woonachtige vrouw. Vervolgens heeft appellant met zijn echtgenote onafgebroken in Nederland gewoond. Bij het verlaten van Kaapverdië, dat toentertijd tot Portugal behoorde, had appellant geen zelfstandig huishouden aldaar. Hij heeft doen aanvoeren dat zijn vader in 1962 is overleden en dat hij na zijn komst naar Nederland nimmer is teruggekeerd naar Kaapverdië. Dit alles overziende wordt geconcludeerd dat in dit geval niet gesproken kan worden van kortere periodes van verzekerd zijn, eventueel afgewisseld met perioden van

niet-verzekerd zijn. De veronderstelde tijdelijke band met de Nederlandse rechtssfeer voor niet-Nederlandse zeelieden aan boord van zeeschepen met een Nederlandse thuishaven geldt, gezien het voorgaande, niet voor appellant. Hij heeft zich in ieder geval sinds november 1964 steeds bevonden in de Nederlandse rechtssfeer. Hieruit volgt dat ten aanzien van appellant de hiervoor genoemde bepalingen in KB 24 en KB 575, wegens schending van artikel 14 van het EVRM in combinatie met artikel 1 van het EP, buiten toepassing moeten worden gelaten gedurende het in geschil zijnde tijdvak. Dit betekent tevens dat de vraag of het gemaakte onderscheid naar nationaliteit in dit geval in strijd is met bepalingen van communautair recht geen bespreking behoeft.

4.8.

Uit hetgeen hiervoor onder 4.1 tot en met 4.7 is overwogen, vloeit voort dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak vernietigd dient te worden. Verder dient het beroep van appellant gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd te worden. Voor het doen van een tussenuitspraak ziet de Raad geen ruimte. Een opdracht aan de Svb op grond van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet verdraagt zich niet met het rechtsmiddel van beroep in cassatie dat - ook in dit geval in beginsel - openstaat tegen de toepassing door de Raad van bepalingen inzake het begrip verzekerde. Derhalve zal de Raad bepalen dat de Svb een nieuwe beslissing op bezwaar neemt.



5. Er is aanleiding de Svb te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 974,- voor rechtsbijstand in beroep en € 974,- in hoger beroep, tezamen € 1.948,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 6 maart 2012 gegrond en vernietigt dat besluit;

- bepaalt dat de Svb een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen met inachtneming van het
hiervoor overwogene;

- veroordeelt de Svb in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een
bedrag ad € 1.948,-;

- bepaalt dat de Svb het door appellant in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht ad
€ 157,- aan hem dient te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L. de Vries en

E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van S. Aaliouli als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 april 2014.

(getekend) M.M. van der Kade

(getekend) S. Aaliouli

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip kring van verzekerden.

ew