Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1525

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-05-2014
Datum publicatie
13-05-2014
Zaaknummer
13-428 WUBO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag vergoeding reis en verblijfkosten op grond van Wubo. Besluit voldoende en deugdelijk gemotiveerd. De voorwaarde dat het bezoek aan Indonesië dient als hiërarchisch eindpunt van een therapeutisch behandelproces moet strikt worden opgevat, in die zin, dat de reis een onmisbaar sluitstuk vormt waarvan het welslagen van de therapie afhankelijk is. Uit de verklaringen van de behandelaar kan niet worden afgeleid dat die situatie zich hier voordoet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/428 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (verweerder)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 13 december 2012, kenmerk BZ01507963 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940‑1945 (Wubo).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 maart 2014. Appellant is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant is in 1935 geboren in het toenmalig Nederlands-Indië. Hij is in 1998 erkend als burger-oorlogsslachtoffer op grond van zijn ervaringen tijdens de oorlog en in de Bersiap-periode.

1.2.

In januari 2011 heeft appellant verzocht om vergoeding van reis en verblijfkosten van een reis naar Indonesië. Appellant wil daar het graf bezoeken van zijn vader, die tijdens de Japanse bezetting is geëxecuteerd. Ook wil hij andere plaatsen bezoeken, waar hij veel ellende heeft ondervonden.

1.3.

Het verzoek van januari 2011 is afgewezen op de grond dat appellant ten tijde van zijn aanvraag niet onder behandeling was voor zijn psychische klachten. Daarmee was niet voldaan aan de voorwaarden die verweerder stelt voor het vergoeden van therapeutische reizen. De Raad heeft deze afwijzing bij uitspraak van 29 maart 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BW0310) in stand gelaten.

1.4.

In april 2012 heeft appellant zich onder behandeling gesteld van de psycholoog-psychotherapeut drs. L. Geerlings-Katz. Bij brief van 19 april 2012 heeft hij voor zover hier van belang opnieuw verzocht om vergoeding van de kosten van een reis naar Indonesië. Verweerder heeft dit verzoek bij besluit van 9 juli 2012 afgewezen. Het hiertegen gerichte bezwaar is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.

2.

Naar aanleiding van hetgeen in beroep is aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

2.1.

Gezien de aard van de gevraagde voorziening acht verweerder een vergoeding op grond van artikel 32 van de Wubo slechts mogelijk als voor de reis een strikte medische noodzaak aanwezig is. Een dergelijke noodzaak acht verweerder slechts aanwezig als wordt voldaan aan richtlijnen die worden gehanteerd ten aanzien van therapeutische reizen, te weten:

a. er is sprake van onverwerkt verdriet, onverwerkte rouw en/of gevoelens van machteloosheid en vernedering die het leven ziekelijk beïnvloeden, en

b. het bezoek dient als een (hiërarchisch) eindpunt van een therapeutisch behandelproces, en

c. er is voorafgaande aan de reis een behandelplan, en

d. na afloop van de reis vindt een evaluatie plaats.

De Raad heeft al meermalen uitgesproken een dergelijke benadering van verweerder, gelet op de aard van de gevraagde voorziening en de daarmee gemoeide kosten, in het algemeen niet onjuist of onredelijk te achten.

2.2.

Anders dan ten tijde van de eerdere aanvraag, staat appellant inmiddels voor zijn psychische klachten onder therapeutische behandeling. Verweerder is echter van mening dat niet inzichtelijk is gemaakt dat bij de gevraagde reis naar Indonesië sprake is van een hiërarchisch eindpunt van een (langdurig) therapeutisch behandelproces. Verweerder heeft zijn afwijzende besluit doen steunen op een advies van zijn geneeskundig adviseur, de arts A.J. Maas, die onder meer gebruik heeft gemaakt van een verklaring van de behandelaar Geerlings-Katz. Het bezwaar van appellant is om advies voorgelegd aan een andere geneeskundig adviseur, de arts R.J. Roelofs. Deze heeft gesteld dat, op het moment waarop appellant zich voor psychotherapie aanmeldde en zijn nieuwe verzoek indiende, in geen geval sprake was van een eindpunt van een therapeutisch behandelproces. Vervolgens heeft Roelofs, op verzoek van verweerder, Geerlings-Katz opnieuw benaderd en een tweede verklaring van haar gekregen. Naar aanleiding daarvan heeft het hoofd van verweerders medisch bureau, de arts R. Loonstein, telefonisch contact opgenomen met Geerlings-Katz om met haar te bespreken wat onder "hiërarchisch eindpunt" wordt verstaan. Zijns inziens echter zonder optimaal resultaat. Uiteindelijk heeft Roelofs in een tweede advies het standpunt gehandhaafd dat in geen geval sprake is van een eindpunt van een (langdurig) therapeutisch behandelproces. Daarop heeft verweerder bij het bestreden besluit het bezwaar ongegrond verklaard.

2.3.

De Raad acht het bestreden besluit met de onder 2.2 genoemde adviezen deugdelijk voorbereid en voldoende gemotiveerd. De voorwaarde dat het bezoek aan Indonesië dient als hiërarchisch eindpunt van een therapeutisch behandelproces moet strikt worden opgevat, in die zin, dat de reis een onmisbaar sluitstuk vormt waarvan het welslagen van de therapie afhankelijk is. Ook uit de verklaringen van Geerlings-Katz kan niet worden afgeleid dat die situatie zich hier voordoet. Dat zij van de reis een belangrijke positieve bijdrage aan het verwerkingsproces verwacht, is niet voldoende. Duidelijk is dat de therapie ook op zichzelf reeds een aanzienlijk positief resultaat heeft opgeleverd. Appellant benadrukt dat hij de gelofte heeft gedaan om het graf van zijn vader te bezoeken en dat hij deze wil inlossen. Die houding verdient alle begrip en waardering, maar geeft aan de reis nog niet het essentiële karakter dat blijkens het vorenstaande is vereist. De reis moet in dienst staan van de therapie, en niet andersom.

2.4.

Het beroep is dus ongegrond.

3.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en R. Kooper en G.L.M.J. Stevens als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2014.

(getekend) A. Beuker-Tilstra

(getekend) E. Heemsbergen

HD