Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1524

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-05-2014
Datum publicatie
13-05-2014
Zaaknummer
13-4768 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering bijstand. Het college heeft het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. Geen sprake van een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/4768 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19 juli 2013, 13/1101 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. D. van der Wal, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 maart 2014. Namens appellante is

mr. E.E. Dirks, advocaat en kantoorgenoot van mr. Van der Wal, verschenen. Het college heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving tot 30 mei 2011 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand.

1.2.

Bij besluit van 6 juni 2011 heeft het college, voor zover hier van belang, de bijstand van appellante herzien over de maanden februari 2011 en april 2011 en van appellante een bedrag van € 204,24 teruggevorderd.

1.3.

Bij besluit van 23 oktober 2011 heeft het college de bijstand van appellante herzien over de periode van 5 oktober 2010 tot en met 30 november 2010 en van appellante een bedrag van € 1.274,74 teruggevorderd.

1.4.

Bij brief van 10 december 2012 heeft het college, voor zover hier van belang, aan appellante een overzicht gegeven van de wederzijdse verplichtingen ten aanzien van terugvorderingen van teveel ontvangen bijstand. Aan appellante is meegedeeld dat zij in totaal een bedrag van € 1.419,70 dient te betalen. De vorderingen betreffen het bedrag van

€ 204,24 met een restbedrag van € 144,96 omdat reeds een deel is afgelost en het bedrag van € 1.274,74. Appellante heeft daartegen op 14 januari 2013 bezwaar gemaakt.

1.5.

Bij besluit van 23 januari 2013 (bestreden besluit) heeft het college dat bezwaar

niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat de brief geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank geoordeeld dat de brief van 10 december 2012 niet op rechtsgevolg is gericht.

3.

Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Zij betoogt net als in beroep dat de brief wel een besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Appellante is door middel van de brief voor het eerst bekend geworden met de terugvorderingsbedragen, waardoor het rechtsgevolg van de terugvorderingen pas met deze brief is ingetreden. Voor zover de bedragen die van appellante worden teruggevorderd reeds genoemd waren in aparte besluiten, zijn deze besluiten nooit rechtsgeldig aan appellante bekend gemaakt en dus niet in werking getreden.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding om het oordeel van de rechtbank over de brief en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen voor onjuist te houden. De Raad voegt daaraan toe dat de enkele omstandigheid dat de in 1.2 en 1.3 vermelde besluiten van 6 juni 2011 en 23 oktober 2011 niet op de voorgeschreven wijze zijn bekendgemaakt, wat daarvan ook zij, ertoe leidt dat de bezwaartermijn pas aanvangt op de dag waarop de belanghebbende of zijn gemachtigde kennis neemt van deze besluiten. Dit laat echter onverlet dat de besluiten van 6 juni 2011 en 23 oktober 2011 gericht zijn op rechtsgevolg en de brief van 10 december 2012 slechts van informatieve aard is. Dit betekent dat het college bij het bestreden besluit het bezwaar tegen de brief terecht

niet-ontvankelijk heeft verklaard.

4.2.

Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa, in tegenwoordigheid van S.K. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2014.

(getekend) J.F. Bandringa

(getekend) S.K. Dekker

HD