Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1519

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-05-2014
Datum publicatie
12-05-2014
Zaaknummer
12-2949 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand. Schending inlichtingenverplichting door niet door te geven dat zij verschillende bedrijfsactiviteiten voor haar bedrijf heeft voortgezet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/2949 WWB

Datum uitspraak: 6 mei 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

13 april 2012, 10/5227 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.A. van Heijningen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 maart 2014. Namens appellante is

mr. Van Heijningen verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

F.H.W. Fris.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante stond tot 15 januari 2009 bij de Kamer van Koophandel ingeschreven met de eenmanszaak [naam bedrijf], een salon voor schoonheidsverzorging, pedicure en manicure. Met ingang van 23 januari 2009 kreeg appellante bijstand toegekend ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder.

1.2.

Bij besluit van 28 juli 2010 heeft het college de bijstand van appellante beëindigd (lees: ingetrokken) met ingang van 5 juli 2010 op de grond dat appellante in strijd met de op haar rustende wettelijke inlichtingenverplichting niet heeft doorgegeven dat zij verschillende bedrijfsactiviteiten voor [naam bedrijf] heeft voortgezet terwijl zij bijstand ontving van de Dienst Werk en Inkomen (DWI) van de gemeente Amsterdam.

1.3.

Bij besluit van 28 september 2010 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 28 juli 2010 ongegrond verklaard onder aanvulling van de motivering dat appellante tijdens het gesprek op 5 juli 2010 heeft geweigerd gegevens te verstrekken van haar vrienden en kennissen waaraan zij haar diensten als schoonheidsspecialiste verleent. Omdat de behandelingen die appellante geeft aan vrienden en kennissen op geld waardeerbare werkzaamheden zijn, waarvan appellante geen boekhouding bijhoudt en appellante geen informatie wil verstrekken van deze vrienden en kennissen, is haar recht op bijstand met ingang van 5 juli 2010 niet meer vast te stellen.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank onder meer overwogen dat appellante in de periode in geding op geld waardeerbare activiteiten heeft verricht voor haar bedrijf [naam bedrijf], zonder dat zij haar klantmanager bij de DWI daarvan op de hoogte heeft gesteld. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat door de schending van de wettelijke inlichtingenverplichting het recht op bijstand van appellante vanaf 5 juli 2010 niet is vast te stellen.

3.

Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Appellante heeft aangevoerd dat zij de op haar rustende wettelijke inlichtingen- en medewerkingsverplichting niet heeft geschonden. Zij heeft haar klantmanager altijd adequaat en uitgebreid over haar bedrijf geïnformeerd en heeft ook alle medewerking aan de DWI verleend. Appellante betoogt dat de mededelingen van de klantmanager tijdens de rechtszitting van de rechtbank op 8 maart 2012 niet goed zijn weergegeven in het proces-verbaal van de zitting, waardoor de uitspraak van de rechtbank niet op een correcte grondslag berust.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De beoordelingsperiode loopt in dit geval van 5 juli 2010 tot en met 28 juli 2010.

4.2.

Niet in geschil is dat appellante ten tijde hier van belang activiteiten verrichtte voor haar bedrijf [naam bedrijf]. Het geschil spitst zich toe op de vraag of appellante in strijd heeft gehandeld met de in artikel 17, eerste lid, van de WWB neergelegde inlichtingenverplichting.

4.3.

Voorop staat dat er geen aanleiding is om appellante te volgen in haar betoog dat het proces-verbaal van het getuigenverhoor op 8 maart 2012 in essentie geen juiste weergave is van hetgeen de klantmanager tijdens de rechtszitting heeft verklaard.

4.4.

Het standpunt van appellante dat geen sprake is van schending van de inlichtingenverplichting en dat zij haar klantmanager altijd adequaat en uitgebreid zou hebben geïnformeerd over haar voortgezette activiteiten als zelfstandige wordt niet gevolgd. De gedingstukken bieden daarvoor geen aanknopingspunten. Blijkens de rapportages uit het systeem Raak heeft appellante in de periode van 24 april 2009 tot en met 28 juli 2010 niet eerder dan op 27 mei 2010, desgevraagd, aan haar klantmanager meegedeeld dat zij de nagels doet van haar vriendinnen, maar geen inkomsten heeft uit haar nagelstudio en dat zij folders door de buurt heeft laten bezorgen, maar daar geen klanten door heeft gekregen. Dat appellante tot 27 mei 2010 nimmer heeft gemeld dat zij haar activiteiten als zelfstandige heeft hervat, is bovendien door de klantmanager van appellante bevestigd in haar schriftelijke verklaring van 24 januari 2011. De omstandigheid dat de klantmanager, blijkens het proces-verbaal van het getuigenverhoor op 8 maart 2012, heeft verklaard dat het kan zijn dat appellante in november 2009 heeft gebeld zonder dat dit terugkomt in de Raak-rapportage, kan hier niet aan af doen. Appellante heeft tijdens het gesprek op 5 juli 2010 op het kantoor van de DWI geweigerd informatie te verstrekken over de vrienden en kennissen aan wie zij haar diensten als schoonheidsspecialiste heeft verleend alsmede over degene die voor appellante [naam website]heeft ontworpen en folders van haar bedrijf heeft gedrukt. Mede gelet hierop is niet aannemelijk dat appellante aan haar klantmanager reeds voor 27 mei 2010, openheid van zaken zou hebben gegeven over haar activiteiten als zelfstandige.

4.5.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa, in tegenwoordigheid van

S.K. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2014.

(getekend) J.F. Bandringa

(getekend) S.K.Dekker

sg