Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1514

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-05-2014
Datum publicatie
12-05-2014
Zaaknummer
13-809 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het college heeft de aanvraag van appellant terecht buiten behandeling kunnen stellen aangezien appellant in het geheel niet heeft gereageerd. Blokkering van de bankrekening staat er niet aan in de weg dat hij met behulp van een hulpverlener van de opvang wel bankafschriften heeft kunnen opvragen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/809 WWB

Datum uitspraak: 6 mei 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 9 januari 2013, 12/5880 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.H. Westendorp, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 maart 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Westendorp. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. L. Catakli.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Op 20 januari 2012 heeft appellant een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) aangevraagd. Bij besluit van 9 februari 2012 heeft het college deze aanvraag afgewezen omdat appellant niet de door het college gevraagde inlichtingen heeft verstrekt. Op 14 februari 2012 heeft appellant opnieuw een aanvraag om bijstand ingediend. Bij schrijven van 14 februari 2012 is appellant uitgenodigd om uiterlijk op 28 februari 2012 de in die brief genoemde bewijsstukken in te leveren bij de receptie van de afdeling dak- en thuislozen. Appellant heeft daaraan niet voldaan.

1.2.

Bij besluit van 2 maart 2012 heeft het college de aanvraag van appellant niet in behandeling genomen. Bij besluit van 18 juni 2012 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 2 maart 2012 niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank beoogd zelf in de zaak te voorzien, het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het bezwaar ontvankelijk en ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat appellant eerst op de hoorzitting van 1 mei 2012 ter zake van het besluit van 9 februari 2012 heeft kennisgenomen van het besluit van 2 maart 2012. Het bezwaar gericht tegen het besluit van

2 maart 2012 is derhalve tijdig ontvangen. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat vaststaat dat appellant de gevraagde bewijsstukken niet voor (lees: uiterlijk op) 28 februari 2012 heeft verstrekt om welke reden het college de aanvraag van appellant terecht buiten behandeling heeft kunnen stellen.

3.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd en aangevoerd dat hem geen verwijt kan worden gemaakt van het niet tijdig verstrekken van de gevraagde bewijsstukken. In verband met de blokkering van de bankrekening van appellant werden aan hem geen bankafschriften verstrekt.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen. Van een onvolledige of ongenoegzame aanvraag is onder andere sprake indien onvoldoende gegevens of bescheiden worden verstrekt om een goede beoordeling van de aanvraag mogelijk te maken. Gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb, gaat het daarbij om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

4.2.

Het college heeft, gelet op artikel 53a, tweede lid, van de WWB, in de brief van

14 februari 2012 op goede gronden verzocht om een transactieoverzicht van de bankrekening(en) over de afgelopen drie maanden en om een schriftelijke verklaring over hoe appellant in het afgelopen jaar in zijn levensonderhoud heeft voorzien. Deze gegevens zijn immers noodzakelijk om inzicht te krijgen of appellant in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert, en daarmee ook voor de beoordeling van zijn recht op bijstand.

4.3.

Vaststaat dat appellant het schrijven van 14 februari 2012 heeft ontvangen nu dit schrijven persoonlijk aan hem is overhandigd en hij getekend heeft voor ontvangst. Ter zitting is gebleken dat aan de aanvraag om bijstand per 16 juli 2012 de blokkering van de bankrekening er niet aan in de weg heeft gestaan dat appellant met behulp van een hulpverlener van de opvang wel bankafschriften heeft kunnen opvragen. Derhalve beschikte appellant of kon hij redelijkerwijs ook eerder beschikken over de gevraagde gegevens en kon hij deze tijdig overleggen. Mocht dit laatste overigens anders zijn geweest, dan had het op de weg van appellant gelegen om het college binnen de gegeven hersteltermijn hiervan op de hoogte te stellen. Daarnaast heeft appellant ook geen gehoor geven aan het verzoek om overlegging van een schriftelijk verklaring waaruit blijkt hoe hij het afgelopen jaar in zijn levensonderhoud heeft voorzien. Door in het geheel niet te reageren op het schrijven van

14 februari 2012 heeft appellant het risico genomen dat zijn aanvraag buiten behandeling is gesteld.

4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa, in tegenwoordigheid van S.K. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2014.

(getekend) J.F. Bandringa

(getekend) S.K. Dekker

HD