Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1512

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-05-2014
Datum publicatie
12-05-2014
Zaaknummer
12-2973 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag voor de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan in de startfase van zijn taxibedrijf en ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal. Appellant voldoet door bij de oprichting van zijn bedrijf uit te gaan van een constructie met een procuratiehouder, zoals neergelegd in de intentieverklaring, niet aan de definitie van het begrip zelfstandige in de zin van artikel 1, aanhef, onder c, ten derde, van het Bbz 2004.

Wetsverwijzingen
Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004
Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2014/197
JWWB 2014/153
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/2973 WWB

Datum uitspraak: 6 mei 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 mei 2012, 11/5678 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. Sloot, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Mr. R.S. Pot, advocaat en opvolgend raadsman van appellant, heeft aanvullende beroepsgronden ingediend.

Het college heeft verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 februari 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Pot. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

drs. H. van Golberdinge.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontvangt met ingang van 18 februari 2005 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2.

Op 24 juni 2011 heeft appellant bijstand op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen (Bbz 2004) aangevraagd voor de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan in de startfase van zijn taxibedrijf en ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal. Bij zijn aanvraag heeft appellant een ondernemingsplan gevoegd en een intentieverklaring van 24 juni 2011, inhoudende het beoogde procuratiehouderschap van

[H.E.].

1.3.

Naar aanleiding van de aanvraag heeft de Dienst Werk en Inkomen (Dienst) van de gemeente Amsterdam het ondernemingsplan en de onderliggende stukken beoordeeld. In een rapportage van 13 juli 2011 heeft de DWI geconcludeerd dat de exploitatie van een taxibedrijf met een procuratiehouder de continuïteit van het bedrijf op termijn in gevaar kan brengen. De beoogde constructie brengt veel risico’s met zich waardoor de levensvatbaarheid van het bedrijf in het geding komt. Appellant heeft niet de volledige zeggenschap binnen zijn bedrijf. In dit geval ligt de volledige zeggenschap bij de beoogde procuratiehouder.

1.4.

Bij besluit van 20 juli 2011 heeft het college de aanvraag van appellant afgewezen, voor zover thans van belang, op de grond dat appellant niet worden aangemerkt als zelfstandige in de zin van het Bbz 2004.

1.5.

Bij besluit van 19 oktober 2011 heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 20 juli 2011 ongegrond verklaard. Daarbij heeft het college - wederom voor zover van belang - zich op het standpunt gesteld dat, nu de inhoud van de overeenkomst tot het aangaan van een procuratiehouderschap onbekend is, er van moet worden uitgegaan dat de beoogde volmacht betrekking heeft op alle zaken van appellant en alle rechtshandelingen. Door het afgeven van de volmacht in de vorm van een procuratiehouderschap heeft appellant niet de volledige zeggenschap in zijn bedrijf. Daar komt bij dat enerzijds de procuratiehouder geen enkel financieel risico draagt, maar anderzijds wel alle rechtshandelingen kan verrichten. Als de verhouding tussen appellant en de procuratiehouder verslechtert, is het voortbestaan van het bedrijf niet gewaarborgd. Het risico dat het bedrijfskapitaal niet kan worden terugbetaald, is voor het college te groot.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant ten tijde van het besluit van 20 juli 2011 geen zelfstandige was in de zin van artikel 1, aanhef en onder b, onder 3 van het Bbz 2004. De rechtbank heeft daartoe het volgende overwogen, waarbij appellant als eiser is aangeduid :

“3.2. (….) De constructie die eiser bij de oprichting van zijn bedrijf bedacht heeft voldoet niet aan artikel 1, sub b, onder 3 van de Bbz 2004. Deze bepaling houdt in dat als met meerdere personen wordt deelgenomen aan een bedrijf, eenieder de volledige financiële risico’s moet dragen. Uit het beoogde procuratiehouderschap blijkt dat de onderlinge samenwerking tussen eiser en de procuratiehouder tot gevolg heeft dat de procuratiehouder geen enkel bedrijfsrisico draagt, terwijl de procuratiehouder wel in meerdere of mindere mate zeggenschap zou hebben over de gang van zaken binnen het bedrijf.

3.3.

Het voorgaande brengt met zich dat eiser doordat hij ten tijde van belang niet voldeed aan artikel 1, sub b, onder 3 van de Bbz 2004, op grond van artikel 2, lid 1 en lid 2, van de Bbz 2004 geen recht had op bijstand voor de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan en voor bedrijfskapitaal.”

3.

In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft betoogd dat hij meer dan voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij met de gekozen juridische constructie van het procuratiehouderschap wel als zelfstandige in de zin van het Bbz 2004 dient te worden aangemerkt. In dit verband heeft appellant ook gewezen op rechtspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb), waaruit naar voren komt dat (ook) bij een eenmanszaak (“eigen rijder”) de vakbekwaamheid door een procuratiehouder kan worden ingebracht, mits deze procuratiehouder permanent en daadwerkelijk leiding geeft aan het vervoer (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 16 november 2010, ECLI:NL:CBB:2010:BO5325). Ten onrechte heeft de Dienst niet onderzocht wat de beoogde procuratiehouder in het bedrijf van appellant doet of nalaat. Door dit verzuim heeft het college het bestreden besluit genomen in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. Hierdoor heeft appellant schade geleden en zal hij nog schade lijden, welke schade door het college moet worden vergoed.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 1, aanhef, onder c, ten derde, van het Bbz 2004 wordt onder een zelfstandige in de zin van dat besluit - voor zover hier van belang - verstaan degene die alleen of samen met degenen met wie hij het bedrijf uitoefent de volledige zeggenschap in dat bedrijf heeft en de financiële risico’s daarvan draagt.

4.2.

De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat appellant door bij de oprichting van zijn bedrijf uit te gaan van een constructie met een procuratiehouder, zoals neergelegd in de intentieverklaring van 24 juni 2011, niet voldoet aan de definitie van het begrip zelfstandige in de zin van artikel 1, aanhef, onder c, ten derde, van het Bbz 2004. De Raad onderschrijft de daartoe door de rechtbank in de aangevallen uitspraak gebezigde en hiervoor in 2 aangehaalde overwegingen 3.2 en 3.3 en maakt deze tot de zijne.

4.3.

De door appellant aangehaalde rechtspraak van het CBb leidt niet tot een ander oordeel. Deze uitspraken zijn gegeven in een ander wettelijk kader (de Wet personenvervoer 2000 en het Besluit Personenvervoer 2000), waarbij een geheel andere rechtsvraag aan de orde is dan die welke in dit geding - namelijk of appellant is aan te merken als een zelfstandige in de zin van het Bbz 2004 - moet worden beantwoord.

4.4.

Omdat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant niet voldoet aan het begrip zelfstandige in vorenbedoelde zin, hoefde het college ook geen - nader - onderzoek te doen naar het mogelijke doen en laten van de beoogde procuratiehouder, nog daargelaten de vraag wat een dergelijk onderzoek precies zou moeten inhouden. Het betoog van appellant dat het college door dit verzuim het bestreden besluit heeft genomen in strijd met het zorgvuldigheids- en het motiveringsbeginsel, treft dan ook geen doel.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt. Dit brengt tevens mee dat het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade dient te worden afgewezen.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en A.M. Overbeeke en

G.M.G. Hink als leden, in tegenwoordigheid van J.T.P. Pot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2014.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) J.T.P. Pot

HD