Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1511

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-05-2014
Datum publicatie
12-05-2014
Zaaknummer
12-5816 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Schending inlichtingenverplichting. Inkomsten uit aan- en verkoop van auto's. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat slechts sprake is geweest van auto’s voor eigen gebruik.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/5816 WWB

Datum uitspraak: 6 mei 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 12 september 2012, 12/1878 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amersfoort (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. Rasul, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 maart 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Rasul. Voorts is verschenen A.J. Omarkhel als tolk. Als medegemachtigde is verschenen G. Aanstoot. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door A.N. Collignon.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant en zijn echtgenote ontvingen over de periode van 27 januari 2004 tot 1 januari 2008 en vervolgens opnieuw vanaf 20 augustus 2008 bijstand naar de norm voor gehuwden op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2.

Naar aanleiding van fraudesignalen dat appellant in auto’s handelt heeft een sociaal rechercheur van de Hoofdafdeling Sociale Zekerheid van de gemeente Amersfoort (sociale rechercheur) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader heeft de sociale rechercheur onder meer dossieronderzoek gedaan, gegevens bij de Dienst Wegverkeer (RDW) opgevraagd en appellant gehoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 9 augustus 2011. Uit de gegevens van de RDW is gebleken dat appellant vanaf 27 januari 2004 meestentijds relatief korte perioden 24 auto’s op zijn naam heeft gehad en dat zijn dochter [naam dochter appellant](dochter)

9

auto’s op haar naam heeft gehad. Omdat appellant diverse keren is aangesproken op het autobezit maar daarnaar geen verdergaand onderzoek is ingesteld, stelt de sociaal rechercheur voor de periode voorafgaand aan 20 augustus 2008 buiten beschouwing te laten.

1.3.

Op basis van deze onderzoeksbevindingen heeft het college bij besluit van 16 augustus 2011 de bijstand van appellant en zijn echtgenote over de maanden november 2008, maart 2009, september en oktober 2009, januari, april en juli 2010, april en juli 2011 herzien (lees: ingetrokken) en de over die maanden gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van in totaal € 11.984,59 van appellant en zijn echtgenote teruggevorderd. Aan het besluit ligt ten grondslag dat appellant zijn wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden door in die maanden transacties met voertuigen te verrichten en daarvan geen opgave te doen aan het college. Appellant kan over die transacties geen objectief verifieerbare gegevens verstrekken, zodat appellant en zijn echtgenote in genoemde maanden geen recht hadden op bijstand. In verband met een gemaakte rekenfout is het terug te vorderen bedrag bij beschikking van

18 augustus 2011 gewijzigd vastgesteld op € 11.305,02.

1.4.

Bij besluit van 17 april 2012 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 16 augustus 2011 ongegrond verklaard en het besluit in die zin gewijzigd dat de bijstand niet wordt ingetrokken over de maand november 2008. De maanden juli 2009 en november 2009 hadden weliswaar meegenomen kunnen worden, maar deze blijven vanwege het verbod op reformatio in peius ook thans buiten beschouwing. Het college is voor de maanden waarin transacties hebben plaatsgevonden uitgegaan van de maanden waarin auto’s op naam van appellant stonden dan wel op naam van zijn dochter. Appellant heeft namelijk op 13 juli 2011 tegenover de sociale rechercheur verklaard dat zijn dochter met de auto’s geen bemoeienis had en dat hij deze auto’s heeft betaald. Omdat appellant geen administratie van de transacties heeft bijgehouden, is de bijstand over de betreffende maanden niet vast te stellen. Het terug te vorderen bedrag is herberekend en, na brutering, vastgesteld op

€ 12.758,86.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1. Appellant heeft aangevoerd dat hij op 13 juli 2011 op een onzorgvuldige manier is gehoord. Hij heeft te kennen gegeven moeite te hebben met de Nederlandse taal. Desondanks is hij in de Nederlandse taal gehoord.

4.1.2. Voor zover appellant hiermee heeft willen betogen dat zijn verklaring buiten beschouwing moet blijven, slaagt deze beroepsgrond niet. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 26 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV2512) mag, ook indien de betrokkene later van een afgelegde verklaring terugkomt, in het algemeen worden uitgegaan van de juiste weergave van de aanvankelijk tegenover een sociaal rechercheur of handhavingsspecialist afgelegde en vervolgens ondertekende verklaring. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat zich zodanige bijzondere omstandigheden voordoen dat op dit algemene uitgangspunt een uitzondering moet worden gemaakt. Vaststaat dat appellant is gehoord door een sociaal rechercheur tevens buitengewoon opsporingsambtenaar en een fraudeconsulent en dat beiden het gespreksverslag hebben ondertekend als zijnde naar waarheid opgemaakt.

4.1.3. Appellant die de Nederlandse nationaliteit heeft, is in de Nederlandse taal gehoord. Voorafgaand aan het gehoor is hem uitgelegd waarover de sociale recherche hem wilde horen en gevraagd of appellant daaraan zijn medewerking wilde verlenen. Appellant heeft verklaard dat hij dat wilde en bevestigd dat hem is uitgelegd waarover de vragen gingen. Uit de stukken blijkt niet dat appellant, zoals hij stelt, te kennen heeft gegeven dat hij niet in de Nederlandse taal gehoord wilde worden omdat hij deze taal onvoldoende beheerst. Uit het verslag van het gesprek waarin gedetailleerd de transacties met een groot aantal auto’s zijn besproken, valt op geen enkele wijze op te maken dat appellant het Nederlands onvoldoende zou beheersen of dat hij de hem gestelde vragen niet goed zou hebben begrepen. Aan het einde van het gesprek heeft appellant verklaard dat hij netjes te woord is gestaan en indien hij dat wenste wijzigingen in zijn verklaring heeft kunnen aanbrengen. Hij heeft de verklaring nadat deze hem was voorgelezen gehandhaafd en ondertekend. Appellant heeft in bezwaar hierover niets aangevoerd en hij heeft bij de hoorzitting in bezwaar zonder aanwezigheid van zijn gemachtigde zelf het woord gevoerd en zich daarbij ook niet laten vergezellen door een tolk. Eerst ter zitting bij de rechtbank heeft appellant aangevoerd het Nederlands slechts gebrekkig te beheersen. Niet kan worden ingezien dat appellant niet aan zijn verklaring kan worden gehouden.

4.2.

Appellant heeft op 13 juli 2011 over de auto’s op naam van zijn dochter verklaard dat het auto’s zijn die hij zelf heeft betaald en die ook niet voor zijn dochter bestemd waren. De auto’s werden ook weer door appellant verkocht. Hij gaf toe dat het fout was om deze auto’s op naam van zijn dochter te zetten en zal dit niet meer doen. Zoals onder 4.1.2 en 4.1.3 al is overwogen, is er geen grond appellant niet aan deze verklaring te houden. Mede in aanmerking nemende dat de dochter van appellant in de periode in geding niet beschikte over een rijbewijs, heeft het college de transacties met auto’s op naam van de dochter aan appellant kunnen toerekenen.

4.3.1.

Het college heeft in het bestreden besluit een overzicht opgenomen van de gegevens van de RDW in de hier ter beoordeling voorliggende periode van 1 maart 2009 tot en met

31 juli 2011. Daaruit blijkt dat in die periode appellant zeven kentekens op zijn naam geregistreerd heeft gehad en dat daarnaast op naam van zijn dochter in die periode kentekens geregistreerd hebben gestaan. De transacties met deze kentekens rekent het college aan appellant toe. Uit het overzicht blijkt dat de kentekens maar korte tijd op naam hebben gestaan, soms maar één of enkele dagen.

4.3.2.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 29 december 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK8306) heeft het college bij tenaamstellingen van korte duur aannemelijk gemaakt dat met betrekking tot de auto’s voor de toepassing van de WWB relevante transacties hebben plaatsgevonden. Daarmee wordt bedoeld dat appellant inkomsten in verband met auto’s heeft ontvangen of redelijkerwijs heeft kunnen verwerven. De datum met ingang waarvan een kenteken niet langer op naam van appellant staat, is de datum waarop de desbetreffende transactie heeft plaatsvonden.

4.3.3.

Appellant betwist dat hij ten tijde in geding handelstransacties met auto’s heeft verricht. Appellant heeft een groot gezin en kocht de auto’s voor eigen gebruik. Het waren oude auto’s die al gauw motorische gebreken vertoonden, waarop hij de auto weer inruilde. Appellant is nimmer ingelicht over de verplichting om de aankoop dan wel verkoop van zijn auto’s door te geven en heeft dan ook niet de inlichtingenverplichting geschonden.

4.3.4.

Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat slechts sprake is geweest van auto’s voor eigen gebruik. Daarbij is van belang dat het gaat om een groot aantal auto’s die relatief korte perioden op naam hebben gestaan. Appellant heeft op 13 juli 2011 ten overstaan van de sociale rechercheur verklaard dat hij auto’s heeft gekocht via marktplaats.nl en dat hij deze repareerde. Die reparaties kostten hem geld. Daarna verkocht hij de auto’s weer via marktplaats.nl. Appellant heeft alle auto’s steeds contant betaald. Op de vraag of appellant heeft gehandeld in auto’s antwoordt hij: “Ik noem het geen handel. Ik heb wel heel veel verschillende auto’s op naam gehad, maar ik kocht auto’s, moest ze repareren, maar als de reparatiekosten te hoog opliepen, verkocht ik ze weer. Ik deed dat meestal via marktplaats.” Appellant heeft het eigen gebruik met geen enkel bewijs gestaafd.

4.4.

Appellant kan niet worden gevolgd in zijn betoog dat hij er nooit op is gewezen dat hij de aan- en verkoop van auto’s moest melden. Uit de overgelegde stukken is gebleken dat appellant bij herhaling op deze verplichting is gewezen. Bovendien houdt de inlichtingenverplichting van artikel 17, eerste lid, van de WWB in dat de betrokkene uit eigen beweging mededeling moet doen van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Daartoe behoren onmiskenbaar de transacties met auto’s.

4.5.

Door van de transacties met auto’s geen melding te maken is appellant de op hem rustende wettelijke inlichtingenverplichting niet naar behoren nagekomen in de maanden waarin een transactie heeft plaatsgevonden. Appellant heeft weliswaar over drie auto’s een melding gedaan op het moment van het invullen van het wijzigingsformulier, maar hij heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij op meer wijzigingsformulieren melding heeft gemaakt van het bezit van andere auto’s. Appellant heeft nagelaten melding te maken van het doorlopende bezit van auto’s en de transacties met deze auto’s.

4.6.

Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad.

4.7.

Vastgesteld wordt dat appellant geen controleerbare gegevens heeft verschaft over de met de transacties verworven inkomsten, zodat niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in welke mate, hij in de betreffende maanden verkeerde in bijstandbehoevende omstandigheden. Appellant heeft geen administratie of boekhouding bijgehouden. Appellant heeft weliswaar verklaringen over de aan- en verkoop ingeleverd, maar dit is ontoereikend om het recht op bijstand te kunnen vaststellen. Van geen enkele transactie zijn objectieve en verifieerbare gegevens over de met de transactie gerealiseerde opbrengsten overgelegd. De stelling dat met de transacties geen winst zou zijn behaald omdat het om oudere auto’s gaat, leidt niet tot een ander oordeel, reeds omdat controleerbare gegevens over de met de transacties verworven inkomsten ontbreken.

4.8.

Uit 4.1.1 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en R.H.M. Roelofs en Y.J. Klik als leden, in tegenwoordigheid van M. Sahin als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2014.

(getekend) J.C.F. Talman

(getekend) M. Sahin

HD