Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1508

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-05-2014
Datum publicatie
12-05-2014
Zaaknummer
12-6894 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering. Op geld waardeerbare arbeid verricht. Onvolledige en onjuiste inlichtingen verstrekt over werkzaamheden Schending inlichtingenverplichting. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij, indien zij wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, nog recht op aanvullende bijstand zou hebben gehad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/6894 WWB, 12/6895 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

22 november 2012, 12/2023 en 12/3041 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E.T. Panneflek, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 maart 2014. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Panneflek en [B.] als medegemachtigde. Tevens is verschenen

E. Battaloglu als tolk. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. B.A. Veenendaal.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving sinds 11 september 2008 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Vanaf 1 februari 2009 werden op de bijstand in mindering gebracht de door haar opgegeven inkomsten uit schoonmaakwerkzaamheden bij [naam bedrijf]. Naar aanleiding van een anonieme tip dat appellante zes dagen per week bij dit bedrijf werkt, heeft het college een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader zijn onder meer waarnemingen verricht en is appellante gehoord door twee handhavingsmedewerkers van de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam (DWI). De onderzoeksbevindingen zijn neergelegd in een rapportage van 4 oktober 2011.

1.2.

Op grond van de onderzoeksresultaten heeft het college bij besluit van 26 oktober 2011 de bijstand van appellante beëindigd (lees: ingetrokken) met ingang van 1 februari 2009. Bij besluit van 17 februari 2012 heeft het college voorts de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 1 februari 2009 tot en met 30 september 2011 tot een bedrag van € 42.068,21 bruto van appellante teruggevorderd. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante niet heeft gemeld dat zij meer inkomsten uit arbeid heeft ontvangen dan zij had opgegeven en evenmin dat zij met haar werkgever [B.] ([B.]) samenwoont op een ander adres dan het adres dat bij het college bekend is als haar woonadres.

1.3.

Bij besluit van 21 maart 2012 (bestreden besluit 1) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 26 oktober 2011 ongegrond verklaard. Bij besluit van 9 mei 2012 (bestreden besluit 2) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 17 februari 2012 ongegrond verklaard. Aan beide besluiten is, voor zover thans nog van belang, ten grondslag gelegd dat appellante geen juiste opgave heeft gedaan van de door haar verrichte werkzaamheden en daaruit ontvangen of te ontvangen inkomsten, met als gevolg dat het recht op bijstand over de in geding zijnde periode niet is vast te stellen.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard.

3.

In hoger beroep heeft appellante zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft daartoe, samengevat, aangevoerd dat zij de wettelijke inlichtingenverplichting wel is nagekomen, dat het verslag van het verhoor op 27 september 2011 geen juiste weergave vormt van wat zij heeft verklaard en dat zij [B.] pas vanaf mei 2011 meer in de zaak is gaan helpen maar dat zij daarvoor niet extra is betaald.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt in dit geval van 1 februari 2009 (de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken) tot en met 26 oktober 2011 (de datum van het intrekkingsbesluit).

4.2.

Vaststaat dat appellante vanaf 1 februari 2009 schoonmaakwerkzaamheden heeft verricht bij [naam bedrijf] en dat zij bij het college melding heeft gemaakt van daaruit verkregen inkomsten. Het geschil spitst zich toe op de vraag of appellante in de te beoordelen periode meer of andere werkzaamheden bij [naam bedrijf] heeft verricht dan zij heeft opgegeven aan het college en, in het verlengde daarvan, of het recht op aanvullende bijstand over die periode kan worden vastgesteld.

4.3.

Zoals ter zitting nader is toegelicht betreft [naam bedrijf] een eenmanszaak die wordt geëxploiteerd door [B.]. De zaak bestaat uit een kleine winkel, waar kleding wordt gebracht om elders te worden gestoomd. Deze kleding kan daarna weer worden opgehaald. Achter de winkel bevindt zich een naaiatelier met verschillende machines, waar kleding wordt vermaakt/versteld en/of gestreken.

4.4.

Met de rechtbank wordt geoordeeld dat de onderzoeksresultaten een toereikende grondslag bieden voor de conclusie dat appellante meer op geld waardeerbare arbeid heeft verricht dan zij aan het college heeft opgegeven. Daarbij wordt doorslaggevende betekenis toegekend aan wat appellante op 27 september 2011 tegenover twee handhavingsmedewerkers van de DWI heeft verklaard omtrent haar aanwezigheid in [naam bedrijf] en de aard en omvang van de door haar verrichte activiteiten. Niet valt in te zien dat het verslag dat is opgemaakt naar aanleiding van de verklaringen die appellante op

27 september 2011 heeft afgelegd geen juiste weergave vormt van wat zij toen heeft verklaard. Zij heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij die verklaringen onder ontoelaatbare druk heeft afgelegd en/of dat zij de betekenis en strekking van de gestelde vragen en gegeven antwoorden niet heeft begrepen. Appellante heeft ter zitting nog betoogd dat de verklaring niet aan haar is voorgelezen, maar dat zij alleen heeft gevraagd of het was opgeschreven zoals zij het had verklaard. Zij heeft teveel vertrouwd op de tolk. Het aangevoerde treft geen doel. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat de verklaring die is opgemaakt niet aan haar is voorgelezen. In de door haar ondertekende verklaring is ook opgenomen dat appellante heeft bevestigd het besprokene goed te hebben begrepen en dat zij de verklaring na voorlezing door de aanwezige tolk heeft ondertekend. Met de ondertekening heeft zij bevestigd dat de inhoud van de verklaring overeenkomt met wat zij mondeling heeft verklaard. De verklaringen vinden bovendien steun in de in augustus en september 2011 ter plekke verrichte waarnemingen, waaruit kan worden afgeleid dat appellante ook op andere dagen en tijdstippen dan werd opgegeven en verantwoord werkzaamheden voor [naam bedrijf] verrichtte. Voor zover appellante heeft aangevoerd dat het om kleine hand- en spandiensten ging waarvoor zij niet kreeg betaald, wordt erop gewezen dat niet van belang is of voor die werkzaamheden werd betaald maar of daarvoor in het maatschappelijk verkeer normaliter een beloning wordt ontvangen of kan worden bedongen. Van dat laatste is hier sprake gelet op de aard, de omvang en het terugkerende karakter van de werkzaamheden. Appellante heeft er nog op gewezen dat zij in de loop der tijd vanwege een problematische thuissituatie ook vaak buiten de uren dat zij schoonmaakwerkzaamheden verrichtte bij [naam bedrijf] in de winkel aanwezig was voor aanspraak met de eigenaar, de gezelligheid en sociale contacten. In dit verband wordt opgemerkt dat appellante en [B.] indertijd een arbeidsovereenkomst hadden met elkaar en dat naar vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 4 mei 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM4269) de aanwezigheid van een werknemer tijdens de openingsuren van het bedrijf de vooronderstelling rechtvaardigt dat die werknemer in dat bedrijf dan op geld waardeerbare werkzaamheden verricht. Appellante heeft het tegendeel niet aannemelijk gemaakt.

4.5.

Gelet op 4.4 heeft appellante aan het college onvolledige en onjuiste inlichtingen verstrekt over haar werkzaamheden voor het bedrijf van [B.] en over de daaruit verkregen of te bedingen inkomsten. Daarmee heeft appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden. Het was aan appellante om aannemelijk te maken dat zij, indien zij wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, nog recht op aanvullende bijstand zou hebben gehad. Daarin is zij niet geslaagd.

4.6.

Uit 4.5 volgt dat het college terecht het standpunt heeft ingenomen dat het recht van appellante op bijstand in de te beoordelen periode niet kan worden vastgesteld. Het college was dan ook bevoegd de bijstand met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB met ingang van 1 februari 2009 in te trekken.

4.7.

Met betrekking tot de gebruikmaking van de bevoegdheid tot intrekking en met betrekking tot de terugvordering zijn geen zelfstandige beroepsgronden naar voren gebracht, zodat deze punten verder geen bespreking behoeven.

4.8.

Uit 4.4 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep geen doel treft. De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden bevestigd.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en R.H.M. Roelofs en Y.J. Klik als leden, in tegenwoordigheid van M. Sahin als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2014.

(getekend) J.C.F. Talman

(getekend) M. Sahin

HD