Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1503

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-05-2014
Datum publicatie
06-05-2014
Zaaknummer
12-5688 AW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBBRE:2012:3305, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tijdelijke aanstellng wordt niet verlengd of omgezet in vast dienstverband. Geen sprake van onvoorwaardelijke toezegging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/5688 AW, 12/5690 AW

Datum uitspraak: 1 mei 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van

31 augustus 2012, 11/6209 en 12/62 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Breda (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.R. Ismail, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 maart 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Ismail. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M.J. Nanne en C.I. Koffeman.

OVERWEGINGEN

1.1. Voor een uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten, omstandigheden en regelgeving wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat hier met het volgende.

1.2. Nadat appellant vanaf 16 juni 2008 bij de gemeente Breda werkzaam was geweest via [uitzendorganisatie], is hij op grond van artikel 2:4 van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling/Bredase Uitwerkingsovereenkomst (CAR/BUWO) met ingang van 1 juli 2009 aangesteld als adviseur C (cultureel planoloog) in tijdelijke dienst tot en met 31 december 2011.

1.3. In reactie op een schriftelijk verzoek van appellant om duidelijkheid over zijn rechtspositie, heeft het college bij brief van 18 mei 2011 aan appellant laten weten dat hij per 1 juni 2011 geen vaste aanstelling heeft. Hiertegen heeft appellant bezwaar gemaakt.

Op 19 mei 2011 is er een beoordeling vastgesteld. Appellant heeft ook hiertegen bezwaar gemaakt. Dat bezwaar is gericht tegen de opmerking van de hogere leidinggevende op het beoordelingsformulier, dat hij niet akkoord gaat met het voorstel van de leidinggevende om de tijdelijke aanstelling om te zetten in een vaste aanstelling.

1.4. Op 13 september 2011 is aan appellant kenbaar gemaakt dat zijn tijdelijke aanstelling op 31 december 2011 eindigt en dat er geen mogelijkheid bestaat om een vaste aanstelling te verlenen dan wel om de tijdelijke aanstelling te verlengen. Appellant heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

1.5. Bij besluit van 24 oktober 2011 (bestreden besluit I) en besluit van 21 december 2011 (bestreden besluit II) heeft het college de bezwaren ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit I gegrond verklaard, voor zover dat is gericht tegen de ongegrondverklaring van het bezwaar tegen de opmerking op zijn beoordelingsformulier en de aangevallen uitspraak in zoverre vernietigd. De rechtbank heeft het bezwaar van appellant voor zover gericht tegen voornoemde opmerking, niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit I voor het overige ongegrond verklaard en het beroep tegen het bestreden besluit II ongegrond verklaard.

3.

Appellant heeft in hoger beroep een aantal gronden aangevoerd, die in het navolgende zullen worden besproken.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het hoger beroep is niet gericht tegen het oordeel van de rechtbank over de beoordeling van appellant.

4.2.

Het standpunt van appellant dat van rechtswege een vaste aanstelling is ontstaan, omdat de eerdere arbeidsovereenkomsten via [uitzendorganisatie] moeten worden meegeteld in de berekening van de termijn als bedoeld in artikel 2:4, vijfde lid, van de CAR/BUWO, wordt niet gevolgd. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen en verwijst nog naar zijn uitspraak van 18 november 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2389, waarin de rechtspraak in de door de rechtbank al genoemde uitspraak van 8 december 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU9157, is bevestigd.

4.3.1.

Appellant heeft voorts zijn beroep op het vertrouwensbeginsel herhaald. Volgens hem heeft het college aan hem in de beoordelingen van 27 mei 2010 en 19 mei 2011 en in de memo van 24 maart 2011 een toezegging gedaan dat aan hem een vaste aanstelling zou worden verleend, en mocht hij op deze toezegging vertrouwen. Eén en ander blijkt volgens appellant ook uit de e-mail van H van 29 april 2011.

4.3.2.

De rechtbank heeft er met juistheid op gewezen dat volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 19 november 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK4735) een beroep op het vertrouwensbeginsel alleen kan slagen als van de kant van het tot beslissen bevoegde orgaan uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezeggingen zijn gedaan, die bij de betrokkene gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt.

4.3.3.

Zowel de memo van 24 maart 2011 als de e-mail van H van 29 april 2011 zijn niet aan appellant gericht en bevatten als zodanig geen aan hem gerichte toezegging dat hem een vaste aanstelling zal worden verleend. Het feit dat appellant wel van de inhoud van deze stukken op de hoogte is geraakt, maakt dit niet anders.

4.3.4.

De beoordelingen van 27 mei 2010 en 19 mei 2011 zijn wel aan appellant gericht. Uit beide beoordelingen blijkt dat omzetting in een vast dienstverband door de direct leidinggevenden van appellant wel werd nagestreefd, maar dat dit nadrukkelijk afhankelijk werd gesteld van de beschikbaarheid van voldoende financiële middelen. Gelet op dit voorbehoud kan, indien al sprake zou zijn van een toezegging, niet geconcludeerd worden dat deze toezegging onvoorwaardelijk was. Namens appellant is dit ter zitting erkend. Bovendien is, gezien de door de hogere leidinggevende op de beoordeling van 19 mei 2011 aangebrachte opmerking, in ieder geval geen sprake van een toezegging van het tot beslissen bevoegde orgaan.

4.3.5.

Uit voornoemde stukken blijkt weliswaar de intentie van de leidinggevenden van appellant om de tijdelijke aanstelling uiteindelijk om te zetten in een vast dienstverband, echter meer dan deze intentie is niet vast komen te staan. Voorgaande intentie blijkt eveneens uit de genoemde e-mail van 29 april 2011, maar daarin is evenmin een toezegging van die strekking te lezen. Een dergelijke toezegging blijkt ook niet uit het feit dat de functie van appellant nog niet intern is ingevuld. Met de rechtbank is de Raad daarom van oordeel dat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagt, zodat het college niet gehouden was appellant op grond hiervan een vaste aanstelling te verlenen.

4.4.1.

Appellant heeft nog aangevoerd dat aan hem ook om andere redenen een vaste aanstelling of verlenging had moeten worden aangeboden. Volgens appellant blijkt uit een aantal stukken dat er wel degelijk voldoende financiële middelen beschikbaar waren. Nu voortzetting van zijn aanstelling enkel daarvan afhankelijk was, had zijn aanstelling in ieder geval verlengd moeten worden, aldus appellant.

4.4.2.

Zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen, volgt uit vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 29 juli 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN3499) dat de omstandigheid dat een ambtenaar in tijdelijke dienst voor bepaalde tijd is aangesteld meebrengt dat het bestuursorgaan die aanstelling na afloop van de gestelde termijn niet hoeft te verlengen of om te zetten in een vaste aanstelling. Dat is anders als er een verplichting bestaat tot voortzetting van het dienstverband, of het niet verlengen in strijd zou komen met ongeschreven recht.

4.4.3.

Vast staat dat het functioneren van appellant geen rol heeft gespeeld bij de vraag of het dienstverband moest worden voortgezet en dat over dat functioneren grote tevredenheid bestond. In de noodzaak tot het treffen van bezuinigingsmaatregelen is een redelijke grond voor het verlenen van ontslag aan appellant gelegen. Uit de stukken blijkt voldoende van de bezuinigingen waarvoor het college ten tijde in geding stond. Het niet verlengen van de tijdelijke aanstelling van appellant ligt in de lijn van het bezuinigingsbeleid van het college. In dit verband heeft het college onbetwist gesteld dat niet alleen tijdelijke aanstellingen niet zijn verlengd, maar dat ook een aantal vaste aanstellingen is beëindigd. Dat onder meer in een e-mail van voormalig afdelingshoofd JH van 30 juni 2012 valt te lezen dat het taakveld culturele planologie structureel in het takenpakket van de gemeente dient te worden opgenomen en dat daarvoor structureel een bedrag van €100.000,- is gelabeld, zodat het volgens hem voor de hand zou liggen de functie van appellant te continueren, is onvoldoende om de noodzaak tot het treffen van bezuinigingsmaatregelen te weerleggen. Nu geen verplichting tot verlenging of omzetting van het dienstverband valt aan te wijzen en van strijdigheid met het ongeschreven recht niet is gebleken, is het niet voortzetten daarvan na

31 december 2011 niet onrechtmatig te achten.

4.4.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, zal worden bevestigd.

5.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans, in tegenwoordigheid van

P. Uijtdewillegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2014.

(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans

(getekend) P. Uijtdewillegen

HD