Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:150

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-01-2014
Datum publicatie
30-01-2014
Zaaknummer
12-6317 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering. Geen aanknopingspunten dat het onderzoek van het Uwv onzorgvuldig is geweest. Voldoende aandacht besteed aan de knieklachten alsmede de schouderklachten van appellant, zodat de conclusie dat appellant weer in staat moet worden geacht zijn arbeid te verrichten, overtuigend gemotiveerd is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/6317 ZW

Datum uitspraak: 22 januari 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van

15 oktober 2012, 12/807 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te[woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A. Schippers, werkzaam bij CNV Vakmensen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 november 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Schippers. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. R. Spanjer.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was tot 1 oktober 2011 als puntlasser werkzaam bij[naam werkgever].

1.2. Appellant heeft zich per 3 oktober 2011 ziek gemeld in verband met (onder meer) toegenomen knieklachten. Bij besluit van 5 december 2011 heeft het Uwv appellant per

3 oktober 2011 een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) toegekend. Op 4 november 2011 heeft appellant een artroscopie aan de rechterknie ondergaan.

1.3. Vervolgens heeft appellant op 15 december 2011 en 27 januari 2012 het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Tijdens het laatste spreekuur is de verzekeringsarts tot de conclusie gekomen dat het post-operatief herstel na de artroscopie een geconsolideerde toestand heeft bereikt en dat appellant met ingang van 3 februari 2012 geschikt is te achten voor de maatgevende arbeid. Bij besluit van 27 januari 2012 heeft het Uwv het recht op ziekengeld van appellant dienovereenkomstig met ingang van 3 februari 2012 beëindigd.

1.4. Bij besluit van 15 maart 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 27 januari 2012 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een bezwaarverzekeringsarts van 8 maart 2012 ten grondslag.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vastgesteld dat appellant gezien en onderzocht is door de verzekeringsarts en door de bezwaarverzekeringsarts en dat de bezwaarverzekeringsarts kennis heeft genomen van het schrijven van 28 februari 2012 van orthopaedisch chirurg Van Drumpt. Gelet hierop heeft de rechtbank geen aanknopingspunten kunnen vinden dat het onderzoek van het Uwv onzorgvuldig is geweest. De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat de conclusie dat appellant op en na 3 februari 2012 geschikt was voor zijn arbeid, voor juist moet worden gehouden. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de bezwaarverzekeringsarts kennis heeft genomen van het op 7 oktober 2011 verrichte werkplekonderzoek, waaruit is gebleken dat er geen sprake is van zware fysieke arbeid. Uit het schrijven van orthopaedisch chirurg Van Drumpt kan worden opgemaakt dat hij het verstandig vindt dat appellant zijn knie vooral niet zwaar dient te belasten. De rechtbank heeft geoordeeld dat uit het werkplekonderzoek niet is gebleken van zwaar kniebelastende werkzaamheden. Volgens de rechtbank heeft de bezwaarverzekeringsarts ruim voldoende aandacht besteed aan de knieklachten alsmede de schouderklachten van appellant en de conclusie dat appellant vanaf 3 februari 2012 weer in staat moet worden geacht zijn arbeid te verrichten overtuigend gemotiveerd.

3.

In hoger beroep heeft appellant (samengevat) zijn standpunt herhaald dat hij niet in staat is zijn werk te verrichten en dat het Uwv geen zorgvuldig onderzoek heeft verricht naar de belastbaarheid van zijn rechterknie en schouder. Appellant heeft betoogd dat er geen objectief medische maatstaf ten grondslag ligt aan de conclusie van het Uwv.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan het laatstelijk voor het intreden van de ongeschiktheid tot werken verrichte werk. In artikel 19, vijfde lid, van de ZW is, voor zover hier van belang, bepaald dat ten aanzien van een verzekerde die geen werkgever heeft, zoals appellant, onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wordt verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend voor zijn arbeid zijn.

4.2.

In het onderhavige geval is “zijn arbeid” het werk van appellant als puntlasser. Ter zitting heeft de gemachtigde van appellant te kennen gegeven dat de daarvan op 7 oktober 2011 door een arbeidsdeskundige van het Uwv opgemaakte werkomschrijving juist is.

4.3.

Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, is in essentie een herhaling van hetgeen hij in beroep heeft aangevoerd en geeft geen aanleiding anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan.

4.4.

Het in hoger beroep overgelegde medisch dossier van het Academisch Ziekenhuis Maastricht, de (reeds eerder overgelegde) brief van 19 juli 2011 van orthopaedisch chirurg H.M. Staal en de foto van de rechterknie van appellant bevatten, zoals ook de bezwaarverzekeringsarts van het Uwv heeft overwogen in het rapport van 25 oktober 2013, geen aanknopingspunten voor een andersluidend oordeel met betrekking tot de gezondheidssituatie van appellant per datum in geding.

4.5.

Gelet op hetgeen in 4.2 tot en met 4.4 is overwogen, slaagt het hoger beroep niet en dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden als voorzitter en J.J.T. van den Corput en L.J.A. Damen als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2014.

(getekend) C.P.J. Goorden

(getekend) D.E.P.M. Bary

JvC