Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1495

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-04-2014
Datum publicatie
06-05-2014
Zaaknummer
12-3827 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Uwv heeft met het nieuwe besluit overeenkomstig de tussenuitspraak (ECLI:NL:CRVB:2013:2918) beslist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/3827 WW, 14/1645 WW

Datum uitspraak: 23 april 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 4 juli 2012, 12/491 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

De Raad heeft op 18 december 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:2918) een tussenuitspraak gedaan.

Het Uwv heeft op 14 januari 2014 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.

Appellante is in de gelegenheid gesteld haar zienswijze over dit besluit naar voren te brengen. Van die gelegenheid heeft zij geen gebruikgemaakt.

Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gelezen in verbinding met artikel 21, eerste en zesde lid, van de Beroepswet is afgezien van een nader onderzoek ter zitting en is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad verwijst voor een uiteenzetting van de feiten waarvan hij bij zijn oordeelsvorming uitgaat naar zijn tussenuitspraak van 18 december 2013.

2.

Met het besluit van 14 januari 2014 heeft het Uwv het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek hersteld. De ingangsdatum van de uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) is in afwijking van de eerdere besluitvorming thans gesteld op 15 april 2011. Het Uwv heeft daarbij tevens besloten dat de WW-uitkering niet wordt betaald van 15 april 2011 tot en met 29 mei 2011. Het Uwv heeft ten slotte de WW-uitkering van appellante bij wijze van maatregel met ingang van 18 april 2011 verlaagd met 30% gedurende vier maanden, op de grond dat appellante de aanvraag om een WW-uitkering te laat heeft ingediend en zich te laat als werkzoekende heeft laten registreren bij het Uwv.

3.1.

Het besluit van 14 januari 2014 wordt, gelet op de artikelen 6:19 en 6:24 van de Awb, mede in de beoordeling betrokken.

3.2.

Nu appellante geen gebruik heeft gemaakt van de gelegenheid haar zienswijze te geven over het besluit van 14 januari 2014 en het Uwv met dat besluit overeenkomstig de tussenuitspraak heeft beslist, zal het beroep tegen dit besluit ongegrond worden verklaard.

4.

Hetgeen in de tussenuitspraak en onder 3.2 is overwogen leidt tot de in het dictum vermelde beslissing.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 8 maart 2012 gegrond en vernietigt dat besluit;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 14 januari 2014 ongegrond;

  • -

    bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 157,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door B.M. van Dun als voorzitter en H.G. Rottier en

G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 april 2014.

(getekend) B.M. van Dun

(getekend) D.E.P.M. Bary

NW