Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1491

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-04-2014
Datum publicatie
06-05-2014
Zaaknummer
11-4305 WMO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering bruikleenauto. Geen medische noodzaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/4305 WMO

Datum uitspraak: 25 april 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van

15 juni 2011, 10/8953 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante (wettelijk vertegenwoordigd door de ouders [naam ouders]) heeft mr. L. van den Buijs, advocaat, hoger beroep ingesteld. Nadien heeft mr. N. Baouch, eveneens advocaat, zich als gemachtigde van appellante gesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 oktober 2013. Appellante is niet verschenen, maar vertegenwoordigd door mr. Baouch. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door I.M. Groen. De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst en met partijen een aantal afspraken gemaakt. Eén van de afspraken was dat appellante gedurende drie maanden reist met de rolstoeltaxi en dat de ouders van appellante een logboek bijhouden van onder meer wachttijden en van vervoerstijden van huis of school naar het ziekenhuis.

Mr. Baouch heeft bij een brief van 7 maart 2014 een nader stuk ingebracht.

Het onderzoek ter zitting is hervat op 17 maart 2014. De moeder van appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Baouch. Namens het college is Groen verschenen.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende feiten.

1.1.

Appellante heeft op 26 maart 2010 een aanvraag gedaan in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo), namelijk tot verstrekking van een bruikleenauto.

1.2.

Het college heeft op 26 april 2010 drie besluiten genomen. In de kern komen deze besluiten erop neer dat het college per 1 april 2010 de eerder aan appellante toegekende maximale vergoeding van gebruikskosten van de eigen auto beëindigt en per die datum appellante in aanmerking brengt voor een tegemoetkoming in de kosten van een rolstoel- of ligtaxi tot een hoogte van € 2.612,- per jaar. Het college heeft verder beslist om appellante niet in aanmerking te brengen voor een bruikleenauto. Tegen die besluiten heeft appellante bezwaar gemaakt.

1.3.

Het college heeft in een besluit van 16 november 2010 de bezwaren van appellante ongegrond verklaard. Appellante heeft daartegen beroep ingesteld.

2.

De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat uit het door de GGD namens het college verrichte medisch onderzoek en uit de verklaring van de behandelende kinderneuroloog blijkt dat er geen medische noodzaak is voor een bruikleenauto. Met de maximale vergoeding voor de rolstoel- of ligtaxi is appellante voldoende in haar vervoersbehoefte gecompenseerd. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat appellante voor haar vervoer naar en van school gebruikmaakt van aangepast vervoer en dat zij via haar zorgverzekeraar voor het vervoer naar en van het ziekenhuis tussen 7:00 en 22:00 uur gebruik kan maken van de vervoerder Het Witte Kruis Zorg B.V.

3.

Appellante heeft in hoger beroep de uitspraak van de rechtbank bestreden. Doel van het hoger beroep is om alsnog in aanmerking te worden gebracht voor een bruikleenauto. Appellante heeft gesteld dat uit het rapport van de adviserend GGD-arts niet blijkt hoe de beschikbare, in het rapport genoemde, medische informatie is gewogen. Verder heeft appellante verwezen naar informatie van de Stichting MEE, de kinderneuroloog en het Tyltylcentrum. Uit die informatie blijkt dat appellante veelvuldig epileptische aanvallen heeft, de zorg voor haar intensief is en de zorgverlening zeker zonder bruikleenauto buitengewoon zwaar is voor de moeder en dat het belangrijk is, gelet op de kwetsbaarheid van appellante, dat zij de mogelijkheid heeft snel naar huis te kunnen en zij niet hoeft wachten op een taxibus. Appellante moet na een epileptische aanval namelijk binnen anderhalf uur in het ziekenhuis zijn. Verder heeft appellante gesteld dat vanwege de medische aandoening van de vader van appellante, het voor hem niet mogelijk is om met de andere dochter samen te reizen. Het is ook niet mogelijk om met meerdere mensen mee te reizen met de rolstoel- of ligtaxi, zodat het gezin niet meer gezamenlijk iets kan ondernemen. De toegekende vervoersvoorziening is niet voldoende. Appellante heeft een beroep gedaan op de hardheidsclausule.

4.

Het college heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

5.

De Raad overweegt het volgende.

5.1.

Ingevolge artikel 43, aanhef en onder f en onder j, in samenhang gelezen met artikel 42, vierde lid, van de Verordening individuele voorzieningen voor maatschappelijke ondersteuning gemeente Den Haag 2009, kan een auto alleen worden verstrekt als een andere voorziening zoals een financiële tegemoetkoming in de kosten voor het gebruik van een rolstoeltaxi of ligtaxi geen adequate oplossing biedt.

5.2.

De beroepsgronden van appellante komen erop neer dat zij bestrijdt dat de financiële tegemoetkoming in de kosten voor het gebruik van een rolstoel- of ligtaxi een adequate oplossing biedt en dat zij daarom in aanmerking komt voor de verstrekking van een auto.

5.3.1.

In een advies van de adviserend arts van de GGD van 27 september 2010 is neergelegd dat er sprake is van een blijvende toename in de ontwikkelingsachterstand en een niet hoge aanvalsfrequentie van de intermitterende neurologische stoornis. Appellante is volledig rolstoel- en zorgafhankelijk. Medisch is er geen bezwaar tegen gebruik van individueel rolstoeltaxivervoer, aldus het advies. Niet is gebleken dat dit advies inhoudelijk onjuist is. Dat blijkt met name ook niet uit de informatie van de behandelende kinderneuroloog. Weliswaar ondersteunt de kinderneuroloog de aanvraag van appellante tot verstrekking van een bruikleenauto, maar gezien haar brief van 7 april 2011 is dat niet op medische gronden. De kinderneuroloog heeft in deze brief verder te kennen gegeven dat haar niet bekend is dat appellante lang bestaande aanvallen en langdurige bijkomingen zou hebben. Verder heeft zij te kennen gegeven dat wachttijden voor aankomst van de taxi door appellante kunnen worden overbrugd door deze liggend door te brengen. De kinderneuroloog heeft ten slotte gesteld dat in het geval waarin appellante na een epilepsie-insult naar het ziekenhuis moet, het vervoer binnen anderhalf uur gerealiseerd moet zijn. Dat betreft dan de gevallen waarin ambulancevervoer niet aan de orde is. De adviserend arts van de GGD heeft met de kinderneuroloog telefonisch contact gehad op 22 september 2010, waaruit volgens de telefoonnotitie de gezamenlijke conclusie werd getrokken dat er geen medische noodzaak is voor een bruikleenauto.

5.3.2.

Het college heeft na informatie-inwinning bij de taxivervoerder gesteld dat appellante na een epilepsie-insult binnen anderhalf uur vervoerd kan zijn naar het ziekenhuis. Het is niet gebleken dat deze informatie met betrekking tot de periode in geding onjuist is. Dat is ook voor de periode waarover de ouders van appellante het hiervoor genoemde logboek hebben bijgehouden niet gebleken. In die periode heeft zich niet de genoemde situatie voorgedaan. Verder is het zo, dat de wachttijden over het algemeen rond een half uur liggen, zodat het niet voor de hand ligt dat appellante niet binnen anderhalf uur van school of huis naar het ziekenhuis vervoerd kan worden na een insult.

5.4.

De grond van appellante dat het budget ontoereikend is, heeft zij niet nader onderbouwd. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van het college verklaard dat als gelet op de vervoersbehoefte van appellante inderdaad blijkt dat de hoogte van de vergoeding niet toereikend is, een nadere vaststelling van de hoogte kan plaatsvinden. Daarbij kan ook meespelen dat appellante tijdens een rit recuperatietijd nodig heeft na een aanval of dat zij verschoond moet worden, wat de rit langer laat duren en waardoor deze duurder is.

5.5.

Met betrekking tot de beroepsgrond dat de medische toestand van vader dusdanig is dat hij niet zelf kan reizen, heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat het aan de vader is om zich tot het college te wenden voor een vervoersvoorziening.

5.6.

Er is gelet op wat hiervoor is overwogen geen sprake van bijzondere omstandigheden op grond waarvan toepassing van de hardheidsclausule aangewezen is. De - begrijpelijke - wens om met het hele gezin samen te reizen is niet een dergelijke omstandigheid.

5.7.

Wat hiervoor is overwogen houdt in dat de beroepsgronden niet slagen. De aangevallen uitspraak wordt daarom bevestigd.

6.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap als voorzitter en I.M.J. Hilhorst-Hagen en

M.F. Wagner als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 april 2014.

(getekend) A.J. Schaap

(getekend) D.E.P.M. Bary

NW