Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1490

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-04-2014
Datum publicatie
06-05-2014
Zaaknummer
12-550 WMO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag voor een woonvoorziening in de vorm van een tegemoetkoming in de verbouwingskosten ten behoeve van het realiseren van een kamer voor de slaapwacht. Appellant is ernstig lichamelijk en geestelijk gehandicapt. De gevraagde voorziening strekt niet tot het compenseren van de beperkingen van appellant. De gewenste extra kamer is immers bedoeld om de voor het verlenen van AWBZ-zorg benodigde slaapwacht te huisvesten. De daartoe gevraagde voorziening valt niet onder de reikwijdte van een van de in artikel 4, eerste lid, van de Wmo genoemde prestatievelden.

Wetsverwijzingen
Wet maatschappelijke ondersteuning
Wet maatschappelijke ondersteuning 4
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2014/208
RSV 2014/126
JWWB 2014/146

Uitspraak

12/550 WMO

Datum uitspraak: 18 april 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van

28 december 2011, 10/8948 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Midden-Delfland (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.H. Benard, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 februari 2014. Namens appellant is verschenen [Van H.], moeder en bewindvoerder van appellant, bijgestaan door mr. Benard. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door G. Kroes en

drs. W.J.M. Peters.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant, geboren [in] 1987, lijdt sinds 1996 aan de stofwisselingsziekte metachromatische leukodystrofie, waardoor hij ernstig lichamelijk en geestelijk gehandicapt is. Appellant is geheel zorgafhankelijk en verpleegbehoeftig en heeft 24 uur per dag zorg nodig. Appellant is in noodsituaties niet in staat zelf te alarmeren. Bij besluit van

2 maart 2010 heeft het Centrum indicatiestelling zorg (CIZ) aan appellant voor de periode van 10 februari 2010 tot en met 9 februari 2015 een indicatie verleend voor zorg op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ). Voor zover van belang gaat het om begeleiding groep, begeleiding individueel (24 uur per dag direct aanwezig), persoonlijke verzorging (voortdurend in nabijheid) en verpleging. Appellant woont bij zijn ouders waar hij beschikt over een op de begane grond gelegen aangepaste slaapkamer en een aangepaste sanitaire ruimte. De zorg die appellant ’s nachts nodig heeft - onder meer het meten van het zuurstofgehalte, het zo nodig toedienen van extra zuurstof en het uitzuigen van de luchtwegen en mondholte -, wordt bij toerbeurt verleend door een team van zes slaapwachten. De ouders van appellant hebben naast de slaapkamer van appellant een extra kamer gerealiseerd, bestemd voor het verblijf van de slaapwacht gedurende de nacht.

1.2.

Op 25 februari 2010 is namens appellant een aanvraag ingediend op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) voor een woonvoorziening in de vorm van een tegemoetkoming in de verbouwingskosten ten behoeve van het realiseren van een kamer voor de slaapwacht. Ter toelichting is onder meer opgemerkt dat de aanvraag ertoe strekt in de huidige woon/leefomgeving van appellant 24-uurs zorg mogelijk te maken.

1.3.

Bij besluit van 15 maart 2010 heeft het college de aanvraag afgewezen op de grond dat geen sprake is van het normale gebruik van de woning omdat een kamer voor een slaapwacht niet tot de elementaire woonfuncties behoort.

1.4.

Bij besluit van 26 oktober 2010 (bestreden besluit) heeft het college het tegen het besluit van 15 maart 2010 gemaakte bezwaar gegrond verklaard, dat besluit herroepen en de aanvraag, onder wijziging van de motivering, opnieuw afgewezen. Het college heeft overwogen dat de gevraagde voorziening wel onder de reikwijdte van de Wmo valt, maar dat de medische noodzaak voor een kamer in de nabijheid van appellant ontbreekt omdat de noodzakelijke zorg, met behulp van communicatieapparatuur, ook door de slaapwacht verleend kan worden vanuit een andere, reeds bestaande, kamer.

2.1.

Hangende het door appellant tegen het bestreden besluit ingestelde beroep, heeft het college zijn standpunt als verwoord in het bestreden besluit gewijzigd. Hierbij heeft het college zich aanvankelijk op het standpunt gesteld dat de slaapwacht in de nabijheid van appellant op de begane grond moet zijn, maar dat er geen medische noodzaak bestaat voor een aparte kamer voor de slaapwacht omdat de slaapwacht in of nabij de kamer van appellant kan verblijven. Later heeft het college zich op het standpunt gesteld dat de gevraagde voorziening toch niet valt onder de reikwijdte van de Wmo.

2.2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dat besluit vernietigd wegens de weinig consistente onderbouwing van het standpunt van het college. De rechtbank heeft de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand gelaten. Hiertoe is overwogen dat de gevraagde voorziening is gericht op het faciliteren van AWBZ-zorg. Een dergelijke voorziening kan naar zijn aard niet worden aangemerkt als een maatregel die erop gericht is beperkingen in de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie te compenseren, in die zin dat appellant daardoor in staat wordt gesteld een huishouden te voeren als bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wmo.

3.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft aangevoerd dat de door de slaapwacht te verlenen zorg is gericht op het compenseren van zijn beperkingen met betrekking tot de zelfredzaamheid tijdens het slapen. Hierdoor kan appellant veilig slapen, hetgeen volgens appellant onder het voeren van een huishouden als bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wmo valt.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Artikel 4, eerste lid, van de Wmo vermeldt vier prestatievelden waarop de door het college te verstrekken voorzieningen gericht moeten zijn: het voeren van een huishouden, het zich verplaatsen in en om de woning, het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel en het ontmoeten van medemensen en het op basis daarvan aangaan van sociale verbanden.

4.2.

De Raad stelt voorop dat appellant zich tot het college heeft gewend ter verkrijging van een woonvoorziening. Deze woonvoorziening bestaat uit verbouwingskosten die zijn gemaakt voor het realiseren van een aan de slaapkamer van appellant grenzende, en in open verbinding staande, extra kamer. Deze kamer wordt enkel gebruikt door de slaapwachten, die zeven dagen per week vanaf 23.00 uur gedurende de nacht, de noodzakelijke AWBZ-zorg aan appellant verlenen.

4.3.

Tot ongeveer 2009 hebben de ouders van appellant zelf de volledige zorg in de nachtelijke uren op zich genomen. De huidige situatie waarbij gebruik wordt gemaakt van een team van zes slaapwachten die appellant thuis ’s nachts zorg verlenen, is eerst ontstaan nadat de ouders van appellant overbelast waren geraakt. Er is vanaf dat moment tevergeefs gepoogd om appellant te laten opnemen in een verpleeginstelling. In verband met de noodzaak van

24-uurs verpleegkundig toezicht, is geen van de in de regio van appellant gelegen

AWBZ-instellingen bereid gebleken om appellant op te nemen. Vervolgens hebben de ouders van appellant over de ontstane problematische situatie overleg gevoerd met CIZ en Zorgkantoor DSW (Zorgkantoor). In dit overleg is het gebruik van (duurdere) waakwachten, die anders dan de slaapwachten niet zijn aangewezen op een extra kamer, niet besproken. Dit overleg heeft er uiteindelijk in geresulteerd dat, met instemming van de ouders, CIZ bij het onder 1.1 vermelde besluit van 2 maart 2010 appellant dusdanig voor AWBZ-zorg heeft geïndiceerd dat de vanaf 2009 feitelijk gerealiseerde verpleeg- en verzorgsituatie, kan worden bekostigd uit het op basis van deze indicatie toe te kennen pgb.

4.4.

Deze gecreëerde situatie waarbij, na afstemming met CIZ en het Zorgkantoor, slaapwachten kunnen worden bekostigd uit het pgb en appellant alle benodigde AWBZ-zorg thuis kan ontvangen, is ontstaan omdat de in de regio gelegen AWBZ-instellingen appellant niet konden opnemen. De gecreëerde situatie komt in feite overeen met de zorg die anders in een AWBZ-instelling zou worden verleend. De Raad is van oordeel dat de gevraagde voorziening niet strekt tot het compenseren van de beperkingen van appellant. De gewenste extra kamer is immers bedoeld om de voor het verlenen van AWBZ-zorg benodigde slaapwacht te huisvesten. De daartoe gevraagde voorziening valt, in aanmerking genomen de hiervoor bedoelde omstandigheden, niet onder de reikwijdte van een van de in artikel 4, eerste lid, van de Wmo genoemde prestatievelden. Dat betekent dat de aanvraag van appellant niet voor inwilliging in aanmerking komt en dat de rechtbank terecht heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand kunnen blijven.

4.5.

Appellant heeft terecht aangevoerd dat de rechtbank heeft nagelaten de door appellant voor de tweede zitting gemaakte reiskosten van € 11,20 en verletkosten van € 212,36 in de proceskostenveroordeling te betrekken. Hetzelfde geldt voor de door de deskundige ten behoeve van de eerste zitting gemaakte kosten van € 170,-. De op verzoek van de rechtbank door appellant ingediende nadere schriftelijke reactie van 17 mei 2011 is, anders dan appellant heeft aangevoerd, wel in de proceskostenveroordeling betrokken. Hieruit volgt dat de proceskosten in beroep in totaal € 2.353,12 bedragen. Hiervan heeft de rechtbank

€ 1.959,56 toegekend in beroep en heeft de rechtbank € 393,56 niet onderkend.

4.6.

Uit 4.5 volgt dat het hoger beroep slaagt voor wat betreft de door de rechtbank uitgesproken proceskostenveroordeling. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover de onder 4.5 genoemde kosten niet in de proceskostenveroordeling zijn betrokken. De Raad zal ter zake beslissen, zoals de rechtbank had behoren te doen. Voorts volgt uit 4.1 tot en met 4.4 dat de aangevallen uitspraak voor het overige, voor zover aangevochten, met verbetering van gronden dient te worden bevestigd.

5.

Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 393,56 voor de resterende proceskosten in beroep. In hoger beroep worden deze begroot op € 974,- voor verleende rechtsbijstand, op € 21,- voor reiskosten en op € 212,36 voor verletkosten, totaal € 1.207,36.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover het betreft de niet in de proceskostenveroordeling betrokken kosten genoemd onder 4.5;

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige, voor zover aangevochten;

  • -

    veroordeelt het college in de resterende proceskosten van appellant in beroep tot een bedrag van € 393,56 en in de proceskosten in hoger beroep tot een bedrag van € 1.207,36;

  • -

    bepaalt dat het college aan appellant het door hem in hoger beroep betaalde griffierecht van

€ 112,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter en M.F. Wagner en D.S. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 april 2014.

(getekend) J. Brand

(getekend) Z. Karekezi

CVG