Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1485

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-04-2014
Datum publicatie
06-05-2014
Zaaknummer
12-1815 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Appellant heeft in hoger beroep alsnog afdoende overtuigend de geschiktheid voor de geselecteerde functies toegelicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/1815 WAO

Datum uitspraak: 25 april 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

23 februari 2012, 11/1109 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. J.L. Wittensleger een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 maart 2014. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door M. Sluijs. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door

mr. Wittensleger.

OVERWEGINGEN

1.1. Betrokkene heeft op 7 september 2001 zijn werk als magazijnmedewerker gestaakt. Na het doorlopen van de wettelijke wachtperiode is aan hem een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend. Met ingang van 29 juni 2006 is de WAO-uitkering ingetrokken.

1.2. In verband met toegenomen beperkingen heeft appellant de WAO-uitkering van betrokkene met ingang van 29 augustus 2008 heropend.

1.3. Bij besluit van 17 augustus 2010 heeft appellant de WAO-uitkering met ingang van

18 oktober 2010 ingetrokken, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op minder dan 15%. Aan dit besluit ligt een medisch en een arbeidskundig onderzoek ten grondslag. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat bij betrokkene sprake is van verminderde benutbare mogelijkheden en de beperkingen van betrokkene vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Rekening houdend met deze FML heeft de arbeidsdeskundige betrokkene geschikt geacht een aantal functies te vervullen, waarmee het verlies aan verdiencapaciteit is vastgesteld op minder dan 15%.

1.4. Bij besluit van 22 maart 2011 (bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 17 augustus 2010 ongegrond verklaard. Aan dit besluit liggen rapporten van een bezwaarverzekeringsarts en een bezwaararbeidsdeskundige ten grondslag.

2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. Aan appellant is opdracht gegeven een nieuw besluit te nemen. Verder zijn beslissingen genomen over vergoeding van proceskosten en griffierecht. De rechtbank heeft de medische grondslag van het bestreden besluit bevestigd, maar ten aanzien van de voorgehouden functies geoordeeld dat appellant de geschiktheid daarvan onvoldoende overtuigend heeft toegelicht.

2.2. Wat betreft de functie van bode-bezorger heeft appellant volgens de rechtbank onvoldoende gemotiveerd waarom die functie ondanks een belasting op de aspecten huidcontact en handelingstempo geschikt is. Wat betreft het aspect huidcontact heeft de rechtbank vastgesteld dat de verzekeringsarts hierop in de FML de volgende toelichting heeft gegeven: ‘niet werken in hoge luchtvochtigheidsgraad, niet werken met water of werkzaamheden waardoor veel druk op de huid komt, contact eczeem door handschoenen’. Bij de functie van bode-bezorger komt een belasting voor op het aspect beschermende middelen, waarbij het gaat om latex handschoenen, die klaar liggen bij binnenkomende post. De bezwaararbeidsdeskundige heeft geconcludeerd dat de functie van bode-bezorger op dat punt passend is, omdat betrokkene hiervoor niet beperkt is. De nadere toelichting van de bezwaararbeidsdeskundige, dat betrokkene geen allergie heeft voor latex, kan volgens de rechtbank niet worden afgeleid uit het rapport van de verzekeringsarts, noch uit de FML. Zonder een nadere motivering wat onder ‘contact eczeem door handschoenen’, als vermeld in de FML, wordt verstaan, valt volgens de rechtbank niet in te zien waarom betrokkene niet beperkt is voor latex handschoenen.

2.3. Ten aanzien van het handelingstempo heeft de rechtbank geoordeeld dat in de FML een beperking is aangenomen voor hoog handelingstempo, maar dat dit volgens de toelichting in de FML niet geldt voor heel eenvoudige handelingen zoals inpakken of stempelen. In de functie van bode-bezorger houdt de belasting op dat aspect in dat in hoog tempo post gesorteerd wordt in vakkenkasten. De bezwaararbeidsdeskundige heeft dit mogelijk geacht omdat het volgens hem zeer eenvoudige handelingen betreft. De rechtbank volgt de bezwaararbeidsdeskundige hierin niet en is van oordeel dat het sorteren van post geen repeterende handeling is zoals stempelen en meer aandacht en concentratie vereist, omdat de naam van de geadresseerde moet worden gelezen en het poststuk in het juiste vak moet worden gelegd.

2.4. De functie van productiemedewerker industrie heeft de rechtbank niet passend geacht, omdat in die functie gewerkt moet worden met soldeerapparatuur, wat een risico op brandwonden met zich meebrengt, terwijl betrokkene volgens de FML aangewezen is op werk zonder een verhoogd persoonlijk risico.

3.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank de motivering van de geschiktheid van de geselecteerde functies ten onrechte als onvoldoende heeft aangemerkt. Rapporten van de bezwaarverzekeringsarts en van de bezwaararbeidsdeskundige zijn ingezonden. Volgens betrokkene staat het appellant niet vrij om in hoger beroep een aanvullende motivering te geven, omdat aan betrokkene hierdoor beoordeling door een rechterlijke instantie wordt onthouden. Appellant had dan ook volgens betrokkene in de uitspraak van de rechtbank moeten berusten en voor een aanvullende motivering zorg moeten dragen.

4.1.

De Raad ziet zich gesteld voor de vraag of de rechtbank op goede gronden heeft geoordeeld dat appellant de geschiktheid voor de voorgehouden functies onvoldoende heeft toegelicht en overweegt daartoe als volgt.

4.2.

Vastgesteld wordt dat de bezwaararbeidsdeskundige in hoger beroep een van de voorgehouden functies heeft laten vervallen en te kennen heeft gegeven dat dit geen gevolgen heeft voor de vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid. De schatting is daardoor gebaseerd op de functies bode-bezorger (SBC-code 315140), productiemedewerker industrie (SBC-code 111180) en wikkelaar (SBC-code 267050). De rechtbank heeft wat betreft de functie van bode-bezorger met juistheid de toelichting van de bezwaarverzekeringsarts en bezwaararbeidsdeskundige ten aanzien van het aspect huidcontact onvoldoende overtuigend geacht. De overweging van de rechtbank als verwoord in 2.2 wordt onderschreven. De toelichting ten aanzien van de belasting op het aspect handelingstempo wordt - anders dan de rechtbank heeft geoordeeld - wel voldoende overtuigend geacht. Bij de handelingen die de bode-bezorger bij de postverdeling verricht, kan worden gesproken over zeer eenvoudige handelingen. Er wordt geen aanleiding gezien appellant niet te volgen in zijn stelling dat het ongeschoolde en eenvoudige arbeid betreft, waar geen enkele vooropleiding voor vereist is. Betrokkene kan hiertoe in staat worden geacht. Ten aanzien van de functie van productiemedewerker industrie wordt overwogen dat de bezwaararbeidsdeskundige de geschiktheid van deze functie heeft onderbouwd met de overweging dat bij het vervullen van de functie opgelet moet worden, maar dat geen bovenmatig risico wordt gelopen. Deze toelichting heeft de rechtbank terecht onvoldoende overtuigend geacht, nu in die functie gewerkt moet worden met soldeerapparatuur dat risico geeft op brandwonden, terwijl betrokkene blijkens de FML aangewezen is op werk zonder een verhoogd persoonlijk risico.

4.3.

Uit 4.2 volgt dat de rechtbank het beroep van betrokkene, met uitzondering van de overweging weergegeven onder 2.3, terecht gegrond heeft verklaard en het bestreden besluit op goede gronden heeft vernietigd. De Raad zal beoordelen of de rechtbank kan worden gevolgd in haar opdracht aan appellant om een nieuw besluit te nemen. Daartoe zal worden bezien of de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in stand kunnen worden gelaten. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.4.

Ten aanzien van de functie van bode-bezorger heeft appellant in het hoger beroepschrift toegelicht dat de vermelding ‘contact eczeem door handschoenen’ is opgenomen als een toelichting bij aspect beschermende middelen, omdat het dragen van dergelijke handschoenen veelal plaatsvindt in combinatie met zwaarder werk. Daardoor kan druk op de huid ontstaan, wat vermeden moet worden. In de functie van bode-bezorger is geen sprake van zwaar werk. Van een toenemende druk met een toename van de huidklachten is in die functie geen sprake. De latex handschoenen liggen klaar voor gebruik en zullen slechts sporadisch, namelijk bij calamiteiten zoals dreiging van poederbrieven, worden gebruikt. Er wordt geen reden gezien aan deze nadere toelichting te twijfelen. De stelling van betrokkene dat het gebruik van latex handschoenen vanwege psoriasis gecontra-indiceerd is, wordt niet gevolgd, omdat dit niet met nadere medische gegevens is onderbouwd. Verder wordt betrokkene niet gevolgd in zijn standpunt dat de bode-bezorger altijd handschoenen zou moeten dragen om ieder risico te vermijden en dat daarvan uitgegaan moet worden bij de beoordeling van de passendheid van de functie. Indien het voortdurend dragen van latex handschoenen voor vervulling van die functie aangewezen zou zijn geweest, was dat aldus in de functiebelasting tot uitdrukking gekomen. Er wordt geen reden gezien aan de toelichting dat dit slecht sporadisch het geval is, te twijfelen. Wat betreft de functie van productiemedewerker industrie wordt overwogen dat de bezwaararbeidsdeskundige in een rapport van 8 maart 2012 nader heeft onderbouwd dat uit overleg met de arbeidsdeskundig analist is gebleken dat het persoonlijk risico bestaat uit het aanraken van een hete soldeerpen ter grootte van een balpen. Dit risico is als marginaal beoordeeld en staat volgens de bezwaararbeidsdeskundige niet aan vervulling van die functie in de weg. Betrokkene was in de FML beperkt geacht voor werken in de nabijheid van gevaarlijke machines, valrisico, hanteren van chemicaliën en ongevalsrisico. Hiermee is de passendheid voldoende toegelicht.

4.5.

Uit rechtsoverweging 4.4 volgt dat appellant in hoger beroep alsnog afdoende overtuigend de geschiktheid voor de geselecteerde functies heeft toegelicht. Er bestaan geen aanknopingspunten voor de stelling van betrokkene, dat het voor appellant om procedurele redenen niet mogelijk is om in hoger beroep alsnog voor een draagkrachtige motivering van de schatting zorg te dragen. De rechtsgevolgen van het vernietigde besluit worden met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb in stand gelaten. De aangevallen uitspraak wordt, voor zover de rechtbank appellant de opdracht heeft gegeven een nieuw besluit te nemen, vernietigd en voor het overige bevestigd met verbetering van de rechtsgronden, als vermeld in overweging 4.2.

5.

De Raad ziet aanleiding om appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 974,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover appellant is opgedragen een nieuw besluit te nemen;

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

  • -

    veroordeelt appellant in de kosten van betrokkene tot een bedrag van € 974,-.

Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning als voorzitter en E.W. Akkerman en

M.I. ’t Hooft als leden, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 april 2014.

(getekend) M.C. Bruning

(getekend) I.J. Penning

QH