Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1455

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-04-2014
Datum publicatie
02-05-2014
Zaaknummer
13-3782 WW
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2014:2827
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering ten onrechte uitbetaalde WW-uitkering. Geen dringende redenen aanwezig om af te zien van terugvordering. Beslagvrije voet is gehanteerd bij de berekening van de aflossingscapaciteit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/3782 WW

Datum uitspraak: 30 april 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 5 juni 2013, 13/1683 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. Ummels, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Mr. J.J.T. van Stiphout heeft zich als opvolgend gemachtigde gesteld.

De zaak is verwezen naar een enkelvoudige kamer van de Raad.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 maart 2014. Namens appellant is verschenen mr. R.A. Knopper, kantoorgenoot van mr. Van Stiphout. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J.H. Maas.

OVERWEGINGEN

1.1.Bij besluit van 29 november 2010 heeft het Uwv appellant in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW).

1.2. Op 2 mei 2011 heeft appellant zich, vanuit deze uitkeringssituatie ingevolge de WW, ziek gemeld. Bij besluit van 12 juli 2011 heeft het Uwv de WW-uitkering, na dertien weken ziekte, per 1 augustus 2011 beëindigd, en voorgesteld dat appellant vanaf 1 augustus 2011 recht heeft op een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW). Het Uwv heeft de betaling van de

WW-uitkering per 1 augustus 2011 evenwel abusievelijk niet gestopt.

1.3. Bij besluit van 2 oktober 2012 heeft het Uwv vastgesteld dat vanaf 1 augustus 2011 ten onrechte WW-uitkering is betaald en heeft het Uwv het ten onrechte betaalde bedrag van

€ 23.008,40 over de periode van 1 augustus 2011 tot en met 19 augustus 2012 van appellant teruggevorderd.

1.4. Bij besluit van 5 oktober 2012 heeft het Uwv bepaald dat de vordering met een bedrag van € 255,86 per maand verrekend zal worden met de ZW-uitkering van appellant.

1.5. Bij besluit van 1 februari 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 2 oktober 2012 en 5 oktober 2012 ongegrond verklaard. Het Uwv heeft, onder meer, het beroep op het vertrouwensbeginsel verworpen, omdat niet gebleken is dat sprake is geweest van een concrete, ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezegging door een bevoegd persoon.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep op het vertrouwensbeginsel verworpen. Bovendien heeft de rechtbank geoordeeld dat geen sprake is van een dringende reden als bedoeld in artikel 36, vijfde lid, van de WW, omdat geen sprake is van dringende onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen voor appellant. De rechtbank heeft vastgesteld dat appellant de stelling dat het Uwv het invorderingsbedrag te hoog heeft vastgesteld niet heeft onderbouwd, zodat hij moet worden geacht voldoende ruimte te hebben om aan die aflossingsverplichting te kunnen voldoen.

3.

Appellant heeft in hoger beroep herhaald dat de terugvordering in strijd is met het vertrouwensbeginsel, nu de voor het Uwv werkzame arts B. Leeuwenberg hem heeft medegedeeld dat hij naast zijn ZW-uitkering een toeslag ontving die hij mocht behouden. Appellant heeft tevens gesteld dat de terugvordering van de WW-uitkering zal leiden tot onaanvaardbare sociale en financiële gevolgen, zodat sprake is van een dringende reden als bedoeld in artikel 36 van de WW. Appellant heeft tot slot betoogd dat hij door de vaststelling van zijn aflossingscapaciteit op € 255,86 per maand niet langer in staat is zijn rekeningen, van onder andere de GGZ, te voldoen.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 36, eerste lid, van de WW wordt de uitkering die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 22a of 27 onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, door het Uwv teruggevorderd. Ingevolge artikel 36, vijfde lid, van de WW kan het Uwv, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

4.2.1.

Ingevolge artikel 4:93, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geschiedt verrekening van een geldschuld met een bestaande vordering slechts voor zover in de bevoegdheid daartoe bij wettelijk voorschrift is voorzien. Ingevolge artikel 4:93, vierde lid, van de Awb is de schuldenaar niet bevoegd tot verrekening voor zover beslag op de vordering van de schuldeiser nietig zou zijn.

4.2.2.

Ingevolge artikel 36a, tweede lid, van de WW in verbinding met artikel 27g, eerste lid, van de WW verrekent het Uwv de onverschuldigd betaalde uitkering met, onder meer, een uitkering ingevolge de ZW.

4.3.1.

Een beroep op het vertrouwensbeginsel kan volgens vaste rechtspraak

(CRvB 19 november 2009, ECLI:NL:CRVB:BK4735) alleen slagen als van de kant van het tot beslissen bevoegde orgaan uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezeggingen zijn gedaan, die bij de betrokkene gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt.

4.3.2.

Appellant heeft geen stukken kunnen overleggen of anderszins aannemelijk kunnen maken dat hem door arts Leeuwenberg de uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezegging is gedaan dat hij recht had op alle betalingen die hij vanaf

1 augustus 2011 van het Uwv ontving. Het beroep op het vertrouwensbeginsel kan daarom niet slagen.

4.4.1.

Volgens vaste rechtspraak (CRvB 11 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:BV1280) kunnen dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien slechts gelegen zijn in de onaanvaardbaarheid van de financiële of sociale consequenties die een terugvordering voor de betrokkene heeft. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is, en waarin een individuele afweging plaatsvindt van alle relevante omstandigheden.

4.4.2.

Appellant heeft gesteld dat terugvordering van de WW-uitkering zal leiden tot onaanvaardbare financiële consequenties, maar hij heeft deze stelling niet onderbouwd. Daarbij heeft het Uwv in het bestreden besluit vermeld dat bij de vaststelling van het maandelijkse aflossingsbedrag aan de hand van de inkomensgegevens van appellant rekening gehouden wordt met de wettelijk vastgelegde beslagvrije voet.

4.4.3.

Appellant heeft tevens gesteld dat terugvordering van de WW-uitkering zal leiden tot onaanvaardbare sociale consequenties, omdat deze er toe zal leiden dat appellant er maatschappelijk gezien niet meer bovenop komt. Appellant heeft dit evenwel niet aannemelijk gemaakt. In het rapport van 30 december 2012 heeft de bezwaarverzekeringsarts geconcludeerd het niet aannemelijk te achten dat terugvordering leidt tot een onaanvaardbare medische situatie bij appellant. Appellant heeft geen medische informatie ingebracht die doet twijfelen aan het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts.

4.4.4.

In hetgeen appellant heeft aangevoerd zijn dan ook geen dringende redenen gelegen in de zin van artikel 36, vijfde lid, van de WW. Dit betekent dat het Uwv gehouden was de onverschuldigd betaalde WW-uitkering van appellant terug te vorderen.

4.5.

Uit het in 4.2.1 genoemde artikel 4:93, vierde lid, van de Awb volgt dat de beslagvrije voet niet vatbaar is voor verrekening. Uit het bestreden besluit blijkt dat het Uwv, conform het bepaalde in artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, een beslagvrije voet heeft gehanteerd bij de berekening van de aflossingscapaciteit. Voor zover appellant met de stelling dat hij door de vaststelling van zijn aflossingscapaciteit op € 255,86 per maand niet langer in staat is zijn rekeningen te voldoen betoogt dat het Uwv zijn aflossingscapaciteit niet juist heeft vastgesteld, geldt dat appellant (ook) die stelling niet met stukken of anderszins aannemelijk heeft gemaakt.

4.6.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 april 2014.

(getekend) M. Greebe

(getekend) Z. Karekezi

JvC