Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1449

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-04-2014
Datum publicatie
02-05-2014
Zaaknummer
12-6879 AWBZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Omvang zorgindicatie. Uitgangspunt is de omtrent appellante verstrekte medische informatie. Medische situatie van appellante is niet onderschat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/6879 AWBZ

Datum uitspraak: 30 april 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van

30 november 2012, 12/1483 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

Stichting Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ)

PROCESVERLOOP

Appellante, in rechte vertegenwoordigd door haar echtgenoot [naam echtgenoot], heeft hoger beroep ingesteld.

CIZ heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 februari 2014. Appellante is verschenen bijgestaan door haar echtgenoot. CIZ heeft zich laten vertegenwoordigen door J. Henneveld.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante is bekend met diverse beperkingen waarvoor zij zorg ontvangt op grond van het bepaalde bij en krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten.

1.2.

Naar aanleiding van de aanvraag van 8 augustus 2011 om herindicatie, heeft CIZ appellante bij besluit van 7 september 2011 opnieuw geïndiceerd.

1.3.

Bij besluit van 3 februari 2012, gewijzigd bij besluit van 28 februari 2012 (bestreden besluit), heeft CIZ het bezwaar tegen het besluit van 7 september 2011 gegrond verklaard, dat besluit herroepen en een nieuwe indicatie afgegeven. Hierbij is appellante voor de periode van 7 september 2011 tot en met 13 november 2011 geïndiceerd voor persoonlijke verzorging (PV) klasse 8, verpleging (VP) klasse 5 en Verblijf tijdelijk klasse 2. Voor de periode van

14 november 2011 tot en met 13 november 2026 is zij geïndiceerd voor PV klasse 8, VP klasse 3 en Begeleiding individueel (BG-i) klasse 2.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat CIZ de omvang van de indicatie, voor zover in geschil, voor de zorgfuncties VP, PV en BG-i juist heeft vastgesteld en dat CIZ appellante op goede gronden vanaf 14 november 2011 niet in aanmerking heeft gebracht voor de functie Kortdurend Verblijf (KV), omdat zij niet aan de voorwaarde, dat zij is aangewezen op permanent toezicht, voldoet. De rechtbank heeft hierbij overwogen dat CIZ bij haar besluitvorming uit mocht gaan van het advies van de medisch adviseur en dat de aangevoerde financiële gronden over het veel lagere persoonsgebonden budget (pgb) in deze procedure geen rol kunnen spelen, aangezien het hier gaat over zorgindicatie terwijl de hoogte van het pgb wordt bepaald in een hiervan gescheiden traject over zorgrealisatie.

3.

Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellante heeft in haar beroepsschrift onder meer gesteld dat het onderzoek door de medisch adviseur van CIZ niet volledig was, omdat zij nooit is onderzocht. Voorts heeft appellante aangevoerd dat in de vastgestelde indicatie niet alle zorgmomenten uit het door haar overgelegde zorgoverzicht zijn meegenomen en meent zij wel recht op KV te hebben. Tot slot heeft appellante verzocht om de advocaatkosten tot een bedrag van € 2.262,36 vergoed te krijgen. Ter zitting heeft appellante gesteld het oordeel van de rechtbank ter zake van haar indicatie voor de functie PV niet langer te bestrijden.

4.

CIZ heeft in verweer gesteld dat appellante in hoger beroep geen medische informatie heeft overgelegd op basis waarvan het oordeel van de rechtbank voor onjuist zou moeten worden gehouden. Verder is volgens CIZ bij de vastgestelde indicatie met de zorgmomenten uit het zorgoverzicht rekening gehouden. Volgens CIZ heeft appellante in hoger beroep geen andere kosten gemaakt dan het betaalde griffierecht.

5.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

De in overweging 3 weergegeven gronden van hoger beroep zijn ook in beroep naar voren gebracht.

5.2.

Omtrent de beroepsgrond van appellante dat zij niet zorgvuldig is onderzocht heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat er geen onduidelijkheid bestaat over de grondslag van de indicatie. Bij de vaststelling van de grondslag van de indicatie is uitgangspunt geweest de omtrent appellante verstrekte medische informatie. Uit deze medische informatie volgt dat sprake is van een ernstige situatie. Uit hetgeen appellante naar voren heeft gebracht, volgt niet dat de verstrekte medische informatie onjuist was, dan wel dat deze informatie geen volledig beeld van haar gezondheidssituatie gaf. Evenmin volgt hieruit dat de medische situatie van appellante is onderschat. Nu is uitgegaan van de verstrekte medische informatie en hieraan niets is afgedaan, treft de beroepsgrond dat geen medisch onderzoek heeft plaatsgevonden geen doel. Een medisch onderzoek heeft in een dergelijk geval geen toegevoegde waarde.

5.3.

De rechtbank heeft voorts met juistheid geoordeeld dat appellante in beroep in essentie opkomt tegen de vaststelling van de omvang van de indicatie. De rechtbank heeft vervolgens de in dit kader door appellante naar voren gebrachte - en in hoger beroep herhaalde - gronden besproken en beoordeeld. Deze gronden zijn op inzichtelijke wijze besproken en voorts is op inzichtelijke en juiste wijze uiteengezet waarom deze gronden niet slagen. Uit hetgeen appellante in hoger beroep naar voren heeft gebracht, volgt niet dat het door de rechtbank gegeven oordeel onvolledig of onjuist is. Appellante heeft in hoger beroep geen gronden of stukken in geding gebracht die een nieuw licht werpen op het door de rechtbank gegeven oordeel.

5.4.

Het hoger beroep slaagt gelet op hetgeen is overwogen in 5.1 tot en met 5.3 niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6.

Nu het hoger beroep niet slaagt dient gelet op artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht het verzoek om een proceskostenveroordeling te worden afgewezen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter en M.F. Wagner en D.S. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 april 2014.

(getekend) J. Brand

(getekend) Z. Karekezi

IJ