Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1448

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-04-2014
Datum publicatie
02-05-2014
Zaaknummer
12-5796 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Plan van aanpak. Het Uwv heeft het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard, omdat het Plan van aanpak geen besluit is in de zin van de Awb. Geen zelfstandige rechtsgevolgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/5796 WIA

Datum uitspraak: 30 april 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 19 oktober 2012, 12/1182 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te[woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is verwezen naar een enkelvoudige kamer van de Raad.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 maart 2014. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J.H. Maas.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant heeft zich op 2 mei 2011 vanuit een uitkeringssituatie op grond van de Werkloosheidswet ziek gemeld.

1.2. Op 26 maart 2012 heeft appellant het spreekuur van de verzekeringsarts bezocht, die vervolgens een Plan van aanpak heeft opgesteld. Daarin heeft de verzekeringsarts vastgelegd dat appellant nog niet volledig arbeidsgeschikt is, en dat er meer winst te behalen is bij tijdige re-integratie van appellant dan te wachten tot volledig herstel zal plaatsvinden, hetgeen niet waarschijnlijk is. De verzekeringsarts heeft vermeld dat overdracht aan de arbeidsdeskundige zal moeten plaatsvinden om een re-integratiebegeleiding op te zetten. Aan het slot van het Plan van aanpak is de standaardformulering van de “Algemene rechten en plichten” van de klant opgenomen.

1.3. Bij brief van 26 maart 2012 heeft het Uwv het Plan van aanpak aan appellant toegestuurd. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het Plan van aanpak. Bij besluit van 11 april 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, op de grond dat het Plan van aanpak geen besluit is in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellant tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

3.

In hoger beroep heeft appellant betoogd dat het Plan van aanpak wel een besluit is, en dat hij niet in staat is mee te werken aan een Plan van aanpak.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder een besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

4.2.

In inmiddels vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 7 augustus 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1324) is geoordeeld dat een plan van aanpak een besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, indien het gericht is op een zelfstandig rechtsgevolg. Daarvan kan sprake zijn als uit de wet voortvloeiende rechten en verplichtingen in het plan van aanpak zodanig worden uitgewerkt dat kan worden gesteld dat met het Plan van aanpak is beoogd een zelfstandig rechtsgevolg te doen ontstaan.

4.3.

Het Plan van aanpak vermeldt als onder het kopje “doel van de re-integratie” dat overdracht aan de arbeidsdeskundige moet plaatsvinden, maar bevat, anders dan appellant lijkt te betogen, geen concrete afspraken en het behelst geen nadere concretisering van uit de wet voortvloeiende rechten of verplichtingen, zoals vermeld onder het kopje “algemene rechten en plichten”. Met het Plan van aanpak ontstaan geen zelfstandige rechtsgevolgen. Het Plan van aanpak is daarom geen besluit in de zin van de Awb. Het Uwv heeft het bezwaar van appellant dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard.

4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 april 2014.

(getekend) M. Greebe

(getekend) Z. Karekezi

JvC