Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1441

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-04-2014
Datum publicatie
02-05-2014
Zaaknummer
12-1406 WAJONG
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terecht Wajong-uitkering (45-55%) met ingang van 1 november niet tot uitbetaling laten komen (hogere inkomsten na urenuitbreiding). Terecht teruggevorderd en boete opgelegd. Tijdige aanlevering gegevens geen dringende reden van terugvordering af te zien. Niet voldaan aan inlichtingenverplichting. Objectief en subjectief verwijtbaar. Terecht boete; echter onevenredig; appelante deed in het kader van een vervoersvoorzining opgave van de hogere inkomsten. Boete vastgesteld op € 210,=. Door de rechtbank ten onrechte verlet kosten echtgenoot (gemachtigde) van € 479,63 niet bij de proceskosten betrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2014/189

Uitspraak

12/1406 WAJONG

Datum uitspraak: 30 april 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

19 januari 2012, 11/3485 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante]te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is verwezen naar een enkelvoudige kamer van de Raad.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 maart 2014. Voor appellante is haar echtgenoot F.G.A. Pietersz verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. H.B. Heij.

OVERWEGINGEN

1.1. Aan appellante is met ingang van 31 mei 1977 een uitkering toegekend op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet die is voortgezet als uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Appellante is met ingang van 1 januari 1995 arbeid gaan verrichten als administratief medewerkster gedurende twintig uur per week. De met deze arbeid verworven inkomsten van AWG 1.625,- bruto per maand hebben ertoe geleid dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante met ingang van

1 september 1996 is vastgesteld op 45 tot 55%.

1.2. Met een op 23 november 2010 ondertekend inlichtingenformulier heeft appellante aan het Uwv opgegeven dat haar inkomsten uit arbeid zijn toegenomen tot AWG 2.700,- bruto per maand. Zij heeft verklaard dat haar arbeidstijd met ingang van november 2009 is uitgebreid naar 25 uur per week en dat haar salaris toen is aangepast.

1.3. Bij besluit van 7 februari 2011 heeft het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante gehandhaafd op 45 tot 55%, maar de Wajong-uitkering met ingang van

1 november 2009 niet tot betaling laten komen omdat op die uitkering pas recht bestaat bij een mate van arbeidsongeschiktheid van 25% of meer. Bij hetzelfde besluit heeft het Uwv van appellante € 8.141,90 teruggevorderd als onverschuldigd betaalde uitkering over de periode van 1 november 2009 tot en met 28 februari 2011.

1.4. Bij besluit van 15 maart 2011 heeft het Uwv aan appellante een boete opgelegd van

€ 820,- wegens schending van de inlichtingenverplichting.

1.5. Appellante heeft tegen de besluiten van 7 februari 2011 en 15 maart 2011 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 14 juni 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard en zijn besluiten tot terugvordering en boeteoplegging gehandhaafd.

2.1. Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij heeft naar voren gebracht dat het Uwv haar niet in de gelegenheid heeft gesteld om haar bezwaar mondeling toe te lichten. Zij heeft verder gesteld dat de terugvordering en de boete onjuist zijn. Zij heeft het Uwv in september 2009 al meegedeeld dat haar inkomsten waren gewijzigd. Het is volgens appellante een fout van het Uwv dat vanaf 1 november 2009 nog uitkering aan haar is betaald.

2.2. De rechtbank heeft appellante gevolgd in haar betoog dat niet uit enige mededeling van appellante aan het Uwv kan worden afgeleid dat zij heeft afgezien van het recht om te worden gehoord. De rechtbank heeft om die reden het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. De rechtbank heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven. Volgens de rechtbank heeft het Uwv op goede gronden besloten om de Wajong-uitkering van appellante met ingang van 1 november 2009 niet meer te betalen en is niet gebleken van een dringende reden op grond waarvan het Uwv van terugvordering had moeten afzien. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat appellante de inlichtingenverplichting heeft geschonden en dat voor matiging van de aan haar opgelegde boete geen aanleiding is. De rechtbank heeft het Uwv veroordeeld in de proceskosten van appellante, bestaande uit de reiskosten die de echtgenoot van appellante heeft moeten maken om als haar gemachtigde de zitting bij te wonen. De gevraagde vergoeding van verletkosten heeft de rechtbank afgewezen.

3.1. In hoger beroep heeft appellante herhaald dat zij in 2009 al opgave heeft gedaan van de wijziging van haar inkomsten, zij het aan de verkeerde afdeling van het Uwv. Dat neemt volgens haar niet weg dat het een fout van het Uwv is geweest om niet op haar mededeling te reageren. Als het Uwv zich al terecht op het standpunt heeft gesteld dat de Wajong-uitkering niet tot uitbetaling kan komen, hetgeen appellante betwist, is appellante van mening dat het Uwv geheel of gedeeltelijk van terugvordering moet afzien en dat ten onrechte een boete is opgelegd. Appellante heeft verder naar voren gebracht dat de rechtbank de verletkosten van haar echtgenoot ten onrechte niet bij de proceskostenveroordeling heeft betrokken. Ter zitting heeft appellante haar beroepsgrond dat ook de kosten van verzending van aangetekende brieven aan de rechtbank te vergoeden proceskosten zijn, niet langer gehandhaafd.

3.2. Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit, zij het dat hij met betrekking tot de verletkosten heeft gesteld dat hij zich aan het oordeel van de Raad conformeert. Volgens het Uwv is uit een door appellante verstrekte opgave af te leiden dat het om € 479,63 gaat.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Voor de toepasselijke wettelijke bepalingen wordt verwezen naar overweging 2 van de aangevallen uitspraak. Verder zijn nog van belang de artikelen 2, eerste lid, en 3, eerste lid, van het Boetebesluit socialezekerheidswetten (Boetebesluit). In laatstgenoemde artikelen is bepaald dat de boete wordt vastgesteld op 10% van het benadelingsbedrag, met dien verstande dat zij op ten minste € 52,- wordt vastgesteld. Indien de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging verweten kan worden of de omstandigheden waarin hij verkeert daartoe aanleiding geven, wordt de boete die is berekend met toepassing van artikel 2, verhoogd of verlaagd.

4.2.

Mede gelet op hetgeen appellante ter zitting van de rechtbank heeft verklaard moet als vaststaand worden aangenomen dat een urenuitbreiding in juni 2009 naar 25 uur per week in ieder geval met ingang van 1 juli 2009 heeft geleid tot een toename van de inkomsten van appellante uit arbeid tot AWG 2.700,- bruto per maand. Appellante heeft haar stelling dat deze inkomsten leiden tot een ander arbeidsongeschiktheidspercentage dan het door het Uwv berekende percentage van 24,3831% niet onderbouwd. De rechtbank heeft daarom op goede gronden overwogen dat toepassing van artikel 50, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wajong ertoe leidt dat de uitkering met ingang van 1 juli 2009 niet meer tot uitbetaling komt. Het Uwv heeft appellante niet tekort gedaan met zijn besluit eerst met ingang van 1 november 2009 de Wajong-uitkering niet meer uit te betalen.

4.3.

De rechtbank heeft eveneens op goede gronden overwogen dat van de uit artikel 55, eerste lid, van de Wajong voortvloeiende verplichting van het Uwv om uitkering die ten onrechte is betaald terug te vorderen, alleen kan worden afgezien als de terugvordering onaanvaardbare sociale of financiële consequenties heeft. Eerst dan is sprake van een dringende reden als bedoeld in artikel 55, vierde lid, van de Wajong. Het oordeel van de rechtbank dat de door appellante gestelde tijdige aanlevering van gegevens geen dringende reden oplevert, wordt onderschreven. Appellante heeft ook in hoger beroep geen feiten naar voren gebracht die als een dringende reden gelden op grond waarvan het Uwv van terugvordering van de vanaf 1 november 2009 onverschuldigd betaalde uitkering had moeten afzien.

4.4.

Vast staat dat appellante niet heeft voldaan aan de in artikel 62, eerste lid, van de Wajong neergelegde verplichting om het Uwv onverwijld uit eigen beweging te informeren over de toename van haar inkomsten uit arbeid met ingang van 1 juli 2009. Appellante heeft erkend dat zij niet eerder dan met een door haar op 14 september 2009 aan het Uwv gezonden brief en een daarbij gevoegde salarisspecificatie heeft bekend gemaakt dat met ingang van 1 juli 2009 haar salaris was verhoogd van AWG 1.625,- bruto per maand naar AWG 2.700,- bruto per maand. Het Uwv heeft ter zitting niet langer ontkend dat de brief van 14 september 2009 is ontvangen.

4.5.

Het enkele feit dat de inlichtingenverplichting is geschonden, is niet voldoende voor het opleggen van een boete. Daartoe is vereist dat ter zake van die overtreding zowel objectief als subjectief een verwijt kan worden gemaakt. Bovendien zal, bij verwijtbaarheid, de boete moeten worden afgestemd op de ernst van de overtreding, de mate waarvan deze aan de overtreder kan worden verweten en de omstandigheden van het geval (CRvB 2 oktober 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1926).

4.6.

Appellante valt niet alleen objectief maar ook subjectief een verwijt te maken van haar niet tijdige informatieverstrekking. Appellante, die in juni 2009 nog een inlichtingenformulier aan het Uwv had geretourneerd waarop zij nog het salaris van AWG 1.625,- had vermeld, had moeten beseffen dat een toename van haar inkomsten uit arbeid met ingang van 1 juli 2009 van betekenis kon zijn voor haar recht op uitkering.

4.7.

Bij beantwoording van de vraag of de opgelegde boete van € 820,- een evenredige sanctie is, komt betekenis toe aan de erkenning van het Uwv van de ontvangst van de brief van appellante van 14 september 2009. Aan het gegeven dat het Uwv verschillende medewerkers heeft belast met controle op de rechtmatigheid van de uitkering en een vervoersvoorziening, die appellante naast de Wajong-uitkering van het Uwv ontvangt, kan in het kader van een boeteoplegging niet het gevolg worden verbonden dat het benadelingsbedrag wordt bepaald door het moment waarop inkomensgegevens bekend worden bij de medewerker die daaraan conclusies verbindt voor de hoogte van de te betalen uitkering. Appellante heeft terecht erop gewezen dat zij met haar brief van 14 september 2009 het in artikel 62, eerste lid, van de Wajong genoemde bestuursorgaan heeft geïnformeerd. Verondersteld mag worden dat de uitkering op zijn laatst met ingang van 1 november 2009 in overeenstemming zou zijn gebracht met de inkomsten van appellante, als de bij de controle van de vervoersvoorziening ontvangen salarisspecificatie, waarop door appellante duidelijk was aangetekend dat van een inkomensverhoging sprake was, in kopie was doorgeleid naar de medewerker die het recht op uitkering van appellante controleerde. Alsdan zou over de periode van 1 juli 2009 tot en met 31 oktober 2009 bij benadering € 2.035,- aan onverschuldigd betaalde uitkering zijn teruggevorderd. Daarin is aanleiding gelegen het boetebedrag te verlagen. Mede gelet op de artikelen 2, eerste lid, en 3, eerste lid, van het Boetebesluit is een boete van € 210,- een evenredige sanctie.

4.8.

Appellante heeft terecht erover geklaagd dat de rechtbank de verletkosten van haar echtgenoot, die als haar gemachtigde heeft opgetreden, niet heeft betrokken bij de bepaling van de proceskostenvergoeding. Het is vaste rechtspraak dat onder reis- en verletkosten van een partij in de zin van artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht tevens moeten worden begrepen de reis- en verletkosten van een procesgemachtigde die niet beroepsmatig rechtsbijstand verleent (onder meer ECLI:NL:CRVB:1996:ZB6352). Appellante heeft niet gesteld dat de verletkosten van haar echtgenoot op een ander bedrag zouden moeten worden vastgesteld dan het door het Uwv berekende bedrag van € 479,63.

4.9.

Het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden vernietigd voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het besluit van 15 maart 2011 in stand zijn gelaten en voor zover daarbij de vergoeding van verletkosten is afgewezen. De Raad zal de boete vaststellen op een bedrag van € 210,- en het Uwv veroordelen om aan appellante een aanvullende vergoeding van de proceskosten in beroep te betalen van € 479,63.

5.

Er is aanleiding voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep. Aan appellante komt een vergoeding toe van de kosten die haar echtgenoot heeft moeten maken om ter zitting te verschijnen. Aan de hand van de overgelegde factuur en salarisspecificatie worden de reiskosten begroot op € 1.066,52 en de verletkosten, ervan uitgaande dat in hoger beroep voor het bijwonen van de zitting met vijf verlofdagen kon worden volstaan, op € 505,25. De proceskosten in hoger beroep bedragen in totaal € 1.571,77.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het besluit van 14 juni 2011 geheel in stand zijn gelaten;

  • -

    stelt de boete vast op een bedrag van € 210,- en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 14 juni 2011;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besluit van 14 juni 2011 voor het overige in stand blijven;

  • -

    veroordeelt het Uwv tot betaling aan appellante van een bedrag van € 479,63 ter aanvulling van de door de rechtbank toegewezen proceskosten;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag van € 1.571,77;

  • -

    bepaalt dat het Uwv aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 115,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 april 2014.

(getekend) M. Greebe

(getekend) Z. Karekezi

IvR