Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1430

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-04-2014
Datum publicatie
29-04-2014
Zaaknummer
12-6227 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlaging bijstand voor de duur van 2 maanden met 100%. Geen medewerking verleend aan het voor hem bestemde re-integratietraject, dat hij 3 van de 5 huiswerkopdrachten niet naar behoren heeft voorbereid en uitgevoerd, en dat hij zonder afmelding niet is verschenen op een bijeenkomst. Gedragingen zijn verwijtbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/6227 WWB

Datum uitspraak: 29 april 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van

11 oktober 2012, 12/2228 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Woerden (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H. Brouwer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 18 maart 2014. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant heeft tot 1 september 2012 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ontvangen. Op hem waren de arbeidsverplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de WWB van toepassing.

1.2.

Bij besluit van 26 juli 2011 heeft het college bij wijze van maatregel de bijstand van appellant met ingang van 1 augustus 2011 gedurende een maand verlaagd met 20% op de grond dat appellant zich verwijtbaar heeft gedragen. Tegen dit besluit heeft appellant geen rechtsmiddel aangewend.

1.3.

Bij besluit van 2 maart 2012 heeft het college de bijstand van appellant wederom verlaagd en wel over de periode van 1 februari 2012 tot en met 31 maart 2012 met 100%. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat appellant niet heeft meegewerkt aan het motivatie-interventietraject bij DSG werk, dat hij 3 van de 5 huiswerkopdrachten (waaronder een beroepswensen onderzoek) niet naar behoren heeft voorbereid en uitgevoerd en dat hij zonder afmelding niet op een bijeenkomst op 1 september 2011 is verschenen. Tevens is door DSG werk geconstateerd dat appellant een negatieve werkhouding heeft en in een werksituatie nauwelijks gezag boven zich duldt. Het college heeft de duur van de maatregel verdubbeld op de grond dat appellant zich voor de tweede maal binnen 12 maanden schuldig heeft gemaakt aan een verwijtbare gedraging.

1.4.

Bij besluit van 5 juni 2012 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 2 maart 2012 ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1. Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB, voor zover van belang, is de belanghebbende verplicht gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening, gericht op arbeidsinschakeling.

4.1.2. Artikel 18, tweede lid, van de WWB bepaalt, voor zover van belang, dat indien de belanghebbende de uit de wet voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, het college de bijstand verlaagt overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b. Van een verlaging wordt afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. De hiervoor bedoelde verordening is in dit geval de Maatregelenverordening WWB, IOAW, IOAZ gemeente Woerden 2010 (Maatregelenverordening).

4.1.3. Artikel 2, tweede lid, van de Maatregelenverordening bepaalt dat een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waarin hij verkeert.

4.1.4. Artikel 9, vierde lid, aanhef en onder c, van de Maatregelenverordening bepaalt, voor zover hier van belang, dat het niet of in onvoldoende mate gebruikmaken van een door het college aangeboden voorziening als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB een gedraging betreft die behoort tot de vierde categorie. Op grond van artikel 10, aanhef en onder d, van de Maatregelenverordening wordt de maatregel vastgesteld op honderd procent van de uitkeringsnorm gedurende een maand bij gedragingen van de vierde categorie. Op grond van artikel 7, tweede lid, van de Maatregelenverordening wordt de duur van de maatregel verdubbeld indien belanghebbende zich binnen 12 maanden na bekendmaking van een besluit waarmee een maatregel is opgelegd opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging.

4.2.

Appellant heeft niet betwist dat hij geen medewerking heeft verleend aan het voor hem bestemde re-integratietraject, dat hij 3 van de 5 huiswerkopdrachten niet naar behoren heeft voorbereid en uitgevoerd, en dat hij zonder afmelding niet is verschenen op de bijeenkomst op 1 september 2011. Voor dat laatste heeft hij bovendien wisselende verklaringen gegeven. Dit betekent dat appellant de ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB op hem rustende verplichting om gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening, gericht op arbeidsinschakeling niet is nagekomen. Het geschil spitst zich toe op de vraag of appellant zijn gedragingen zijn te verwijten.

4.3.

Appellant heeft betoogd dat hij mantelzorger is voor zijn zieke echtgenote en tevens de zorg heeft voor drie jonge kinderen. Het ontbreekt hem dus aan tijd om de diverse opdrachten uit te kunnen voeren. Hij is bovendien de Nederlandse taal niet machtig en kan thuis niet gemist worden. Dit betoog slaagt niet. De keuze van appellant om zelf mantelzorger te zijn en het toegekende persoonsgebonden budget (PGB) niet aan te wenden voor bijvoorbeeld het inhuren van huishoudelijke hulp of kinderopvang, ontslaat appellant niet van de aan de bijstand verbonden verplichting om volledig mee te werken aan zijn re-integratie. In dit verband verdient overigens opmerking dat hem geen ontheffing van de arbeidsverplichting is verleend, maar dat bij de invulling van het re-integratietraject wel rekening is gehouden met door hem verleende mantelzorg en de begintijden hierop zijn afgestemd. Appellant hoefde volgens het college ’s morgens pas om 9.00 uur te beginnen en werkte vier dagen per week. Bovendien heeft appellant niet duidelijk gemaakt in hoeverre de ziekte van zijn echtgenote en de zorg voor zijn gezin eraan in de weg hebben gestaan om de in 4.1.1 genoemde verplichting naar behoren na te komen.

4.4.

Appellant heeft voorts aangevoerd dat de maatregel disproportioneel is om reden dat het gezin in ernstige financiële moeilijkheden geraakte nu het twee maanden zonder inkomen heeft moeten stellen. Deze beroepsgrond slaagt evenmin. Niet aannemelijk is gemaakt dat het verlagen van de bijstand onaanvaardbare financiële gevolgen heeft gehad voor appellant. Daarbij is van belang dat de echtgenote van appellant een PGB ontving zodat het gezin in ieder geval niet volledig is verstoken geweest van inkomen, nu appellant zelf als mantelzorger fungeerde voor het gezin.

4.5.

Uit 4.2 tot en met 4.4 volgt dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant zich ten aanzien van het nakomen van zijn re-integratieverplichting verwijtbaar heeft gedragen. Het college was, gelet op artikel 18, tweede lid, van de WWB dan ook gehouden bij wijze van maatregel de bijstand van appellant te verlagen met 100% gedurende twee maanden en heeft daarbij gehandeld overeenkomstig het bepaalde in de Maatregelenverordening. In wat appellant heeft aangevoerd wordt geen grond gezien voor het oordeel dat het college vanwege de ernst van de gedraging, de mate waarin appellant de gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waarin hij verkeert de maatregel wat hoogte of duur betreft had moeten matigen.



4.6. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van J.T.P. Pot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 april 2014.

(getekend) R.H.M. Roelofs

(getekend) J.T.P. Pot

HD