Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1428

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-04-2014
Datum publicatie
30-04-2014
Zaaknummer
12-5950 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Buiten behandelingstelling aanvraag. Niet binnen de gestelde termijn de gevraagde gegevens verstrekt. Geen aanleiding om te oordelen dat het college niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot buiten behandeling stellen van de aanvraag gebruik heeft kunnen maken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/5950 WWB

Datum uitspraak: 29 april 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van

26 september 2012, 12/1906 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van ’s-Gravenhage (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L. Kuijper, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 maart 2014. De zaak is gevoegd behandeld met de zaken 12/6077 WWB en 13/719 WWB. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Kuijper. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door J.A. Boogaards. In deze zaken wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving vanaf 1 januari 2011 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het college heeft bij besluit van 29 juni 2011 de bijstand per 1 juni 2011 ingetrokken, omdat appellant niet binnen de gestelde termijn de gevraagde gegevens heeft verstrekt die van belang zijn voor de voortzetting van de uitkering.

1.2.

In het kader van een daaropvolgend door het college ingesteld beëindigingsonderzoek is Suwinet in juli 2011 geraadpleegd. Hieruit is naar voren gekomen dat appellant in de periode van 25 april 2011 tot en met 19 juni 2011 heeft gewerkt via uitzendbureau Van der Laan (uitzendbureau) en hieruit inkomsten heeft gehad. Het college heeft vervolgens bij brieven van 16 augustus 2011 en 19 september 2011 looninformatie opgevraagd bij het uitzendbureau en bij brief van 3 oktober 2011 appellant verzocht om kopieën van alle salarisstroken over de periode van 1 januari 2011 tot en met 31 mei 2011 over te leggen. Het uitzendbureau noch appellant heeft de gevraagde informatie verstrekt.

1.3.

Op 17 oktober 2011 heeft appellant opnieuw een aanvraag om bijstand ingediend. Bij brief van 19 oktober 2011 heeft het college appellant meegedeeld dat hij nog een aantal gegevens nodig heeft om de aanvraag te kunnen beoordelen en appellant verzocht om uiterlijk 2 november 2011 een aantal gegevens, waaronder bankafschriftnummers 1 tot en met 19 over 2011, een kopie van de uitzendovereenkomst en de ontslagbrief, in te leveren. Daarbij is vermeld dat als appellant niet op tijd reageert of niet alle gevraagde stukken inlevert, de aanvraag niet in behandeling wordt genomen.

1.4.

Bij besluit van 9 november 2011 heeft het college de aanvraag van 17 oktober 2011 buiten behandeling gesteld. Bij besluit van 16 januari 2012 (bestreden besluit), voor zover van belang, heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 9 november 2011 ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak, voor zover van belang, heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellant heeft zich in hoger beroep, op hierna te bespreken gronden, tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Tussen partijen is uitsluitend nog in geschil het buiten behandeling stellen van de aanvraag van 17 oktober 2011.

4.2.

Artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen. Van een onvolledige of ongenoegzame aanvraag is onder andere sprake indien onvoldoende gegevens of bescheiden worden verstrekt om een goede beoordeling van de aanvraag mogelijk te maken. Gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb, gaat het daarbij om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

4.3.

Het college heeft, gelet op artikel 53a, tweede lid, van de WWB, bij brief van 19 oktober 2011 op goede gronden verzocht om een kopie van de uitzendovereenkomst. Deze is immers noodzakelijk om onder meer inzicht te krijgen in de aard en duur van het dienstverband, de omvang van de werkzaamheden en het salaris, en daarmee ook voor de beoordeling van het recht op bijstand.

4.4.

Appellant heeft wel gesteld, maar niet aannemelijk gemaakt dat hij het gevraagde stuk binnen de gegeven hersteltermijn heeft overgelegd. Zo heeft appellant niet kunnen aangeven bij welke gelegenheid hij dat stuk naar eigen zeggen heeft overgelegd. Het dossier bevat hiervoor ook geen aanknopingspunt. Met zijn schriftelijke reactie van 30 oktober 2011 heeft appellant evenmin voldaan aan het verzoek van het college. Appellant kon redelijkerwijs beschikken over de gevraagde uitzendovereenkomst en deze tijdig verstrekken. Mocht dit laatste overigens anders zijn geweest, dan had het op de weg van appellant gelegen om binnen de gegeven hersteltermijn het college hiervan op de hoogte te stellen.

4.5.

Gelet op 4.3 en 4.4, was het college op grond van artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb bevoegd de aanvraag van 17 oktober 2011 buiten behandeling te stellen. Er bestaat geen aanleiding om te oordelen dat het college niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot buiten behandeling stellen van de aanvraag gebruik heeft kunnen maken.

Gelet daarop behoeven de overige door het college opgevraagde stukken geen bespreking.

4.6.

Uit 4.5 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa als voorzitter en F. Hoogendijk en

C.G. Kasdorp als leden, in tegenwoordigheid van M. Sahin als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 april 2014.

(getekend) J.F. Bandringa

(getekend) M. Sahin

HD