Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1421

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-04-2014
Datum publicatie
29-04-2014
Zaaknummer
12-2483 ZVW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling buitenlandbijdrage. Verdragsgerechtigde. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de overwegingen waarop dat oordeel berust.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/2483 ZVW

Datum uitspraak: 23 april 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

30 maart 2012, 11/4575 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (Spanje) (appellant)

Zorginstituut Nederland (Zorginstituut) als rechtsopvolger van het College voor zorgverzekeringen (Cvz)

PROCESVERLOOP

Als gevolg van de inwerkingtreding van de “Wet van 11 december 2013 tot wijziging van de Wet cliëntenrechten zorg en andere wetten in verband met de taken en bevoegdheden op het gebied van de kwaliteit van de zorg” (Stb. 2013, 578) oefent het Zorginstituut per 1 april 2014 de bevoegdheden uit die voorheen door Cvz werden uitgeoefend. In deze uitspraak wordt onder het Zorginstituut mede verstaan Cvz.

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Zorginstituut heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 januari 2014.

Appellant is - met voorafgaand bericht - niet verschenen. Zorginstituut heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M. Nijman.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant, geboren in 1942, woont in Spanje. Vanaf januari 2007 ontvangt hij een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene ouderdomswet.

1.2.

Zorginstituut heeft appellant op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw), die per
1 januari 2006 in werking is getreden, met ingang van 1 januari 2007 aangemerkt als verdragsgerechtigde. Op grond van Verordening (EEG) nr. 1408/71 (Vo. 1408/71) heeft appellant recht op zorg in Spanje ten laste van Nederland. Voor dit recht op zorg is ingevolge artikel 69 van de Zvw een bijdrage verschuldigd (buitenlandbijdrage).

1.3.

Bij besluit van 9 juni 2011, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 22 augustus 2011 (bestreden besluit), heeft Zorginstituut in de definitieve jaarafrekening over 2007 de buitenlandbijdrage vastgesteld op € 1.981,54.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep van appellant ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat appellant terecht als verdragsgerechtigde is aangemerkt en dat hij een buitenlandbijdrage verschuldigd is. Onder verwijzing naar jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (uitspraak van 14 oktober 2010, Van Delft e.a., C-345/09, ECLI:NL:XX:2010:BO1908) heeft de rechtbank overwogen dat sociaal verzekerden op wie de regels van de Vo. 1408/71 van toepassing zijn, geen keuzerecht hebben. Dat appellant zich eerst in juni 2008 heeft aangemeld, doet niet af aan zijn bijdrageplicht, nu deze verplichting rechtstreeks voortvloeit uit Vo. 1408/71. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat Zorginstituut niet verplicht is appellant er op te wijzen dat hij zich dient in te schrijven bij de verzekeringsinstelling in zijn woonland. Ten slotte heeft de rechtbank geoordeeld dat de kosten van de door appellant vrijwillig afgesloten verzekering voor zijn eigen rekening en risico komen.

3.

In hoger beroep heeft appellant primair aangevoerd dat hij niet valt onder de werkingssfeer van Vo. 1408/71 omdat op 5 februari 1974, derhalve na inwerkingtreding van die verordening, het Verdrag inzake sociale zekerheid tussen Nederland en Spanje is gesloten. Op grond van dit verdrag heeft hij toegang tot de Spaanse gezondheidszorg. Subsidiair heeft appellant gesteld dat hij eerst een bijdrage verschuldigd is vanaf het moment dat hij te kennen heeft gegeven gebruik te willen maken van zijn recht op zorg, namelijk door middel van inschrijving met het E 121-formulier bij de INSS in mei 2008.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de overwegingen waarop dat oordeel berust. Verder verwijst de Raad naar rechtsoverwegingen 3, 4.1 en 4.3 tot en met 4.6 van zijn uitspraak van 22 februari 2013 in het geding tussen de echtgenote van appellant en Zorginstituut (ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2168). De Raad ziet geen aanleiding om in dit geding anders te oordelen.

4.2.

Hieruit volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter en G. van Zeben-de Vries en

D.S. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 april 2014.

(getekend) J. Brand

(getekend) I.J. Penning

JL