Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1419

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-04-2014
Datum publicatie
29-04-2014
Zaaknummer
12-5946 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Appellant beschikte over middelen beschikte waarvan hij geen melding heeft gemaakt. Schending inlichtingenverplichting. Gezamenlijke huishouding? Uit de relatie van appellant en C zijn kinderen geboren. Onvoldoende feitelijke grondslag voor de conclusie dat appellant en C in de periodes in geding beiden hun hoofdverblijf hadden op het adres van appellant, zodat ook niet is komen vast te staan dat zij in die periodes een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/5946 WWB

Datum uitspraak: 15 april 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 26 september 2012, 11/832 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Enschede (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.W.E. Hoezen, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingezonden.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 januari 2014. Namens appellant is verschenen mr. Hoezen. Het college, daartoe eveneens ambtshalve opgeroepen, heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.A. Luttje en J.M.A. Bult.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving vanaf 4 oktober 2000 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Appellant heeft samen met zijn nicht, [C.], twee kinderen, geboren op 31 mei 1997 (zoon) en 10 mei 2000 (dochter). Appellant stond van 27 september 1993 tot 20 februari 2001 ingeschreven op[adres 1] te [woonplaats] en vanaf die datum op [adres 2] te [woonplaats] (adres van appellant). C stond tot 10 maart 2003 ingeschreven op [adres 3] te [plaatsnaam] en vanaf die datum op [adres 4] te [plaatsnaam] (adres van appellante). C heeft op 19 december 2002 aangifte van verhuizing gedaan van de zoon per 1 december 2002 naar het adres van appellant. Op 21 december 2005 heeft C aangifte van verhuizing gedaan van de dochter per die datum naar het adres van appellant.

1.2.

Bij besluit van 28 maart 2006 heeft het college het recht op bijstand van appellant met ingang van 28 maart 2006 opgeschort. Appellant heeft vervolgens gemeld dat C was vertrokken en een nieuwe aanvraag om bijstand ingediend. Naar aanleiding hiervan hebben medewerkers van de gemeente op 17 mei 2006 onaangekondigd huisbezoek afgelegd aan het adres van appellant. Op basis van de bevindingen van het huisbezoek werd geconcludeerd dat C vanaf 1 mei 2006 niet meer haar hoofdverblijf had op dat adres. Vervolgens heeft het college bij besluiten van 7 juni 2006 de bijstand van appellant over de periode van

5 december 2005 tot en met 31 maart 2006 herzien (lees: ingetrokken) en de over deze periode gemaakte kosten van bijstand van appellant teruggevorderd. Aan deze besluiten heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant, zonder daarvan melding te maken, in genoemde periode een gezamenlijke huishouding had gevoerd met C. Na gemaakt bezwaar heeft het college bij besluit van 22 september 2006 de besluiten van 7 juni 2006 herroepen. Daarbij werd de verklaring van appellant dat C tijdelijk veel in [woonplaats] verbleef, omdat zij hulp en verzorging nodig had, die zij in [plaatsnaam] niet kon krijgen, niet onaannemelijk geacht.

1.3.

Nadien bleef bij de Dienst Maatschappelijke Ontwikkeling van de gemeente [woonplaats] (DMO) twijfel bestaan over de woonsituatie van appellant en ook over diens uitgavenpatroon. Om die reden heeft de Sociale Recherche Twente (sociale recherche) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand, bestaande uit een financieel onderzoek en een onderzoek naar de woon- en leefsituatie van appellant.

1.3.1.

In het kader van het financieel onderzoek, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een proces-verbaal van bevindingen van 11 januari 2010, zijn onder meer bankafschriften van appellant en C over de periode van 21 november 2000 tot en met 17 november 2009 opgevraagd. Voorts is informatie opgevraagd bij, en verkregen van, een tweetal bedrijven, te weten Hotel Hengelo te [woonplaats] over het besnijdenisfeest van de zoon van appellant in dit hotel en Brugman Keukens & Badkamers over een door appellant aangeschafte keuken. Uit de door Hotel Hengelo verstrekte informatie blijkt dat bedoeld feest plaatsvond op 8 december 2007 en dat appellant daarvoor op 9 november 2007 een aanbetaling heeft gedaan van € 9.800,-, welk bedrag hij contant heeft voldaan. Uit de door Brugman Keukens

& Badkamers verstrekte informatie blijkt dat appellant op 2 april 2009 een keuken van

€ 13.524,- heeft aangeschaft voor zijn (huur)woning, dat de keuken op 16 juli 2009 is geleverd en dat appellant reeds € 7.816,- had aanbetaald en het restantbedrag van € 5.725,82 bij levering moest voldoen. Daarnaast heeft de sociale recherche het Internationaal Bureau Fraude-informatie verzocht een onderzoek te doen naar de afkoop van de dienstplicht van appellant in Turkije. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen heeft op 3 februari 2009 bericht omtrent een onderzoek door het bureau sociale zaken van de Nederlandse ambassade te Ankara. Hierin is vermeld dat in de periode van 1 april 2008 tot 22 april 2008, tegen betaling van € 5.112,-, de dienstplicht van appellant in Turkije kon worden verkort tot een periode van slechts enkele weken. Ten slotte is informatie opgevraagd bij de Dienst Wegverkeer (RDW) en zijn als getuigen gehoord de persoon die in augustus 2008 een Audi A2 heeft verkocht aan appellant en/of C voor een bedrag van € 12.000,- en de persoon die deze auto in september 2009 heeft gekocht van appellant en/of C voor een bedrag van

€ 9.750,-.

1.3.2.

In het kader van het onderzoek naar de woon- en leefsituatie van appellant hebben waarnemingen plaatsgevonden, is informatie opgevraagd bij de school van de zoon van appellant en bij de gemeente [plaatsnaam] en zijn als getuigen gehoord de in de woning op het adres van C woonachtige broer van C en omwonenden van de adressen van appellant en C.

1.3.3.

In het kader van beide onderzoeken zijn appellant en C op 24 november 2009 als verdachten verhoord en heeft op diezelfde datum een doorzoeking plaatsgevonden in de woning van appellant. De bevindingen van het financiële onderzoek en van het onderzoek naar de woon- en leefsituatie van appellant zijn neergelegd in een rapport van 20 januari 2010.

1.4.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van

29 januari 2010 de bijstand van appellant met ingang van 24 november 2009 te beëindigen (lees: in te trekken) op de grond dat appellant, zonder daarvan melding te maken bij het college, inkomsten uit een onbekende bron geniet en een gezamenlijke huishouding voert met C. Op een door appellant hangende het tegen dat besluit gemaakte bezwaar ingediend verzoek om voorlopige voorziening heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Almelo bij uitspraak van 31 maart 2010, voor zover van belang, het besluit van 29 januari 2010 geschorst tot zes weken nadat op het bezwaarschrift is beslist. Bij besluit van 18 juni 2010 heeft het college het besluit van 29 januari 2010 ingetrokken.

1.5.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college voorts aanleiding geweest om bij besluit van 31 maart 2010, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 24 juni 2011 (bestreden besluit), de bijstand van appellant over de periodes van 4 oktober 2000 tot en met 4 december 2005 en 1 april 2006 tot en met 23 november 2009 (periodes in geding) in te trekken en de over deze periodes gemaakte kosten van bijstand van appellant terug te vorderen tot een bedrag van in totaal € 113.885,84. Aan de besluitvorming heeft het college, samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. Primair heeft appellant de inlichtingenverplichting geschonden door geen melding te maken van ontvangen inkomsten dan wel het kunnen beschikken over financiële middelen anders dan de bijstand. Op de bankrekening van appellant hebben kasstortingen plaatsgevonden, waarvan de herkomst niet duidelijk is. In 2001, 2002, 2008 en 2009 heeft appellant middelen ontvangen, waarvan de herkomst ook niet duidelijk is. De door appellant ontvangen bedragen zijn aan te merken als middelen in de zin van artikel 31, eerste lid, van de WWB die bij de beoordeling van het recht op bijstand moeten worden betrokken. Van geen van de betrokken bedragen is aangetoond dat het gaat om leningen die ooit moeten worden afbetaald. Verder heeft appellant in 2008 € 12.000,- besteed aan de aanschaf van een auto, in 2007 in totaal € 14.800,- ten behoeve van een besnijdenisfeest en de afkoop van de Turkse dienstplicht en in 2009 € 14.000,- aan de aanschaf van een nieuwe keuken. Appellant heeft op geen enkele wijze aangetoond hoe hij dit allemaal heeft gefinancierd en hoe hij aan de middelen is gekomen. Subsidiair heeft appellant de inlichtingenverplichting geschonden door niet bij het college te melden dat hij een gezamenlijke huishouding voert met C.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft het college het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

Middelen

4.2.

De Raad begrijpt het bestreden besluit aldus dat het college zich op het standpunt stelt dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van middelen die hij heeft ontvangen en dat, nu onduidelijkheid bestaat over de herkomst van deze middelen en over zijn uitgavenpatroon, als gevolg van deze schending het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld over de periodes in geding.

4.3.

Appellant heeft, samengevat, het volgende aangevoerd. Hij heeft aan de hand van objectieve en verifieerbare gegevens de herkomst van de (kas)stortingen aannemelijk gemaakt. Immers, uit de door hem in beroep overgelegde berekeningen op jaarbasis blijkt dat hij, kort gezegd, geld van zijn bankrekening opnam en later weer terugstortte, met het doel om rekeningen per bank te voldoen. De herkomst van de middelen waarmee appellant de afkoop van de Turkse dienstplicht, het besnijdenisfeest en de keuken heeft gefinancierd, heeft appellant eveneens aannemelijk gemaakt. Deze uitgaven zijn niet gefinancierd met geleend geld, maar met rechtmatig verkregen gelden. Niet appellant, maar C heeft de Audi A2 gekocht. Het bedrag dat voor deze auto is betaald, was afkomstig van C. Van neveninkomsten is aantoonbaar geen sprake geweest.

4.4.1.

Uit het door de sociale recherche opgemaakt transactieoverzicht blijkt dat in de periode van 9 december 2000 tot en met 21 augustus 2007 op de bankrekening van appellant een groot aantal kasstortingen heeft plaatsgevonden, variërend van € 10,- tot € 950,-, tot een totaalbedrag van € 21.206,-. Voorts blijkt uit dat overzicht dat op 6 februari 2002 en 14 mei 2002 bedragen van € 1.000,- onderscheidenlijk € 2.800,- zijn bijgeschreven op de bankrekening van appellant onder vermelding van ‘[naam bedrijf]’. Dit is de naam van het bedrijf van appellant dat eerder failliet was gegaan. Naast de contante bedragen die appellant in de periode van 9 december 2000 tot en met 21 augustus 2007 op zijn bankrekening heeft gestort, heeft appellant vanaf september 2007 contante bedragen van aanzienlijke omvang in handen gehad. Zo heeft hij in september 2007 een bedrag van bijna € 1.300,- contant betaald ten behoeve van de afkoop van zijn Turkse dienstplicht ten bedrage van in totaal € 5.112,-. Verder heeft appellant in november 2007 € 9.800,- contant aanbetaald voor het besnijdenisfeest van zijn zoon in december 2007. Ook heeft appellant in augustus 2008 een bedrag van € 12.000,- contant betaald voor een auto - Audi A2 -, die op naam van C heeft gestaan, maar waarvan appellant, naar hij tegenover de sociale recherche heeft verklaard, ook gebruik heeft gemaakt. Daarnaast heeft appellant in de periode vanaf april 2009 - contant - betalingen verricht ten behoeve van de aanschaf van een keuken van ruim € 13.000,- en had hij bij zijn aanhouding op 24 november 2009 een bedrag van bijna € 1.000,- in zijn kleding.

4.4.2.

Appellant heeft tegenover de sociale recherche verklaard: “De kasstortingen die u op mijn bankrekeningen ziet zal ik gedaan hebben om mijn saldo aan te zuiveren. Dit geld zal ik dan wel geleend hebben van familie, af en toe ook wel eens van vrienden. Ook hier zijn geen afspraken gemaakt over de terugbetaling.” Appellant heeft echter niet aan de hand van concrete en verifieerbare gegevens aannemelijk gemaakt dat de bijgeschreven bedragen gelden betreffen die hij heeft verkregen uit leningen van familieleden en/of vrienden. Ook anderszins heeft appellant geen duidelijkheid kunnen verschaffen over de herkomst van de (kas)stortingen. De berekeningen die appellant op jaarbasis heeft gemaakt, zijn daartoe onvoldoende, waarbij in aanmerking moet worden genomen dat een duidelijke relatie ontbreekt tussen de vele contante kasstortingen en de kasopnames. Het enkele feit dat appellant met enige regelmaat grote bedragen opnam en vaak geld op zijn bankrekening stortte, zegt niets over de herkomst van de per kas gestorte bedragen. Ditzelfde geldt voor het gestelde doel van de kasstortingen, te weten dat appellant dan zijn rekeningen kon betalen. Slechts van twee kasstortingen kan worden gezegd dat deze een relatie hadden met eerder opgenomen bedragen. Dit betreft een kasstorting van fl. 2.000,- op 7 maart 2001, voorafgegaan door een kasopname van fl. 1.990,- op 5 maart 2001, en een kasstorting van fl. 1.120,- op 28 juli 2001, voorafgegaan door een kasopname van fl. 1.100,- op 26 juli 2001. Voor de op 6 februari 2002 en 14 mei 2002 (hiervoor onder 4.4. genoemde) bedragen van € 1.000,- onderscheidenlijk € 2.800,- heeft appellant in bezwaar volstaan met de mededeling dat het gaat om “geld dat [appellant] heeft ontvangen in verband met de afwikkeling van de overdracht van de onderneming van [appellant] “[naam bedrijf]”.”

4.4.3.

De omstandigheid dat appellant vanaf september 2007 de in 4.4.1 genoemde contante bedragen in handen heeft gehad, rechtvaardigt de vooronderstelling dat deze bedragen een bestanddeel vormden van het vermogen waarover hij daadwerkelijk beschikt of redelijkerwijs kon beschikken. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is. Appellant is daarin niet geslaagd. Hij heeft wel verklaard op welke wijze hij de bedragen aan contanten heeft verkregen, maar geen van deze verklaringen is onderbouwd met concrete en verifieerbare gegevens.

4.4.4

De vele kasstortingen op de bankrekening van appellant in de periode van 9 december 2000 tot en met 17 augustus 2007 tot een bedrag van in totaal ruim € 21.000,-, in samenhang met de aanzienlijke contante bedragen waarover appellant de beschikking had in de periode van 1 september 2007 tot en met 23 november 2009, doen vermoeden dat appellant vanaf december 2000 beschikte of redelijkerwijs heeft kunnen beschikken over andere middelen, in de zin van artikel 31, eerste lid, van de WWB, dan zijn bijstandsuitkering. Nu verder niets bekend is over de aard en omvang van die - andere - middelen, waarvan betrokkene geen melding heeft gemaakt, kan als gevolg van het schenden van de inlichtingenverplichting door appellant het recht op bijstand over de periodes in geding, met uitzondering van de periode van 4 oktober 2000 tot 1 december 2000, niet meer worden vastgesteld.

4.5.

De beschikbare onderzoeksgegevens bieden geen toereikende grondslag voor de conclusie dat appellant in de periode van 4 oktober 2000 tot 1 december 2000 over middelen beschikte waarvan hij geen melding heeft gemaakt. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

Gezamenlijke huishouding

4.6.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de WWB, voor zover hier van belang, wordt als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert.

4.7.

Aangezien vaststaat dat uit de relatie van appellant en C kinderen zijn geboren, is voor de beantwoording van de vraag of gedurende de periodes in geding sprake was van een gezamenlijke huishouding bepalend of appellant in die periode hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden.

4.8.

De vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Het aanhouden van afzonderlijke adressen hoeft niet aan het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning in de weg te staan. In dat geval zal aannemelijk moeten zijn dat desondanks een feitelijke situatie van samenwoning bestaat doordat slechts een van beide ter beschikking staande woningen wordt gebruikt dan wel doordat op een andere wijze zodanig gebruik van de woningen wordt gemaakt dat in feite van samenwonen moet worden gesproken.

4.9.

Hetgeen appellant heeft aangevoerd, komt er in de kern op neer dat er onvoldoende feitelijke grondslag bestaat voor het standpunt van het college dat C in de periode in geding zijn hoofdverblijf had in de woning van appellant.

4.10.

Uit de verklaringen die appellant en C tegenover de sociale recherche hebben afgelegd komt naar voren dat C in de periodes in geding veel op het adres van appellant was in verband met de zorg voor hun kinderen. Verder heeft C verklaard dat zij ’s morgens de kinderen naar school brengt en met de buurvrouw een regeling heeft getroffen om haar zoon, die speciaal onderwijs volgt, naar school te brengen, in die zin dat C de ene week rijdt en de buurvrouw de andere week. Deze verklaringen bieden echter op zichzelf, noch in samenhang bezien aanknopingspunten voor de conclusie dat C in de periodes in geding haar hoofdverblijf had in de woning op het adres van appellant.

4.11.

De vertegenwoordigers van het college hebben ter zitting, desgevraagd, toegelicht dat zwaarwegende betekenis toekomt aan de verklaringen die omwonenden van de adressen van appellant en C als getuigen tegenover de sociale recherche hebben afgelegd.

4.12.

Deze getuigenverklaringen bevatten onvoldoende concrete feiten en omstandigheden voor de conclusie dat C in de periodes in geding haar hoofdverblijf in de woning van appellant heeft gehad, terwijl de verklaringen bovendien niet eenduidig zijn. Zo heeft één omwonende (M) van het adres van appellant tegenover de sociale recherche verklaard dat op het adres van appellant een meneer en twee kinderen wonen, dat hij soms de vrouw heeft gezien als ze de kinderen naar school brengt en dat hij niet kan zeggen dat de vrouw er woont, omdat hij haar niet elke dag ziet. Deze verklaring heeft M op 28 juni 2011 tegenover de rechter-commissaris in strafzaken van de rechtbank Almelo onder ede herhaald. De verklaringen van de overige (drie) omwonenden buurtbewoners (I, B en R) komen er op neer dat op het adres van appellant een man, een vrouw en twee kinderen wonen, dat zij als een gezin worden gezien en destijds ook als gezin op dat adres zijn komen wonen. I en R hebben verklaard dat zij de vrouw altijd (I) dan wel meestal (R) de kinderen zien wegbrengen. B is degene die samen met C, om en om, de zoon van appellant en C naar school brengt. Deze verklaringen zijn echter onvoldoende specifiek en gedetailleerd. Daaruit blijkt namelijk niet of wat de getuigen verklaren over het wonen van C in de woning van appellant berust op concrete, feitelijke waarnemingen of slechts de indruk van de getuigen is. Zo bevatten de getuigenverklaringen, afgezien van het naar school brengen van de kinderen door C, geen feitelijke gegevens over het dagelijks leven in en om deze woning. De verklaringen van (twee) omwonenden van het adres van C komen er op neer dat op dat adres een alleenstaande jongeman van allochtone afkomst woont en dat C daar niet woont. Uit deze verklaringen blijkt evenmin of wat de getuigen verklaren over de bewoning van de woning aan het adres van C berust op concrete, feitelijke waarnemingen of slechts de indruk van de getuigen is. Zo blijkt uit deze verklaringen niet of en, zo ja, in hoeverre en hoe vaak de getuigen in de periode van maart 2003 tot en met november 2009 zicht hebben gehad op de woning aan het adres van C. Hierbij moet worden bedacht dat C in die periode veel op het adres van appellant was.

4.13.

Gelet op wat is overwogen in 4.12 komt aan de getuigenverklaringen van de omwonenden van de adressen van appellant en C niet die betekenis toe die het college en de rechtbank daaraan hebben toegekend. In ieder geval zijn deze verklaringen ontoereikend om daarop de - belastende - besluiten tot intrekking en terugvordering van bijstand te baseren.

4.14.

Uit wat in 4.10 tot en met 4.13 is overwogen volgt dat er onvoldoende feitelijke grondslag is voor de conclusie dat appellant en C in de periodes in geding beiden hun hoofdverblijf hadden op het adres van appellant, zodat ook niet is komen vast te staan dat zij in die periodes een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

Slotoverwegingen

4.15.

Uit 4.5 en 4.14 volgt dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht vernietigen voor zover dit besluit betrekking heeft op de intrekking van de bijstand over de periode van 4 oktober 2000 tot en met 30 november 2000. In aanmerking genomen dat een terugvorderingsbesluit als ondeelbaar moet worden beschouwd, komt het bestreden besluit, voor zover dat betrekking heeft op de terugvordering, geheel voor vernietiging in aanmerking. Tevens zal de Raad het besluit van 31 maart 2010 herroepen, voor zover het betrekking heeft op de intrekking van de bijstand van appellant over de periode van 4 oktober 2000 tot en met 30 november 2010, aangezien aan dit besluit in zoverre hetzelfde gebrek kleeft als aan het bestreden besluit.

4.16.

De Raad zal het college opdragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van appellant tegen het besluit van 31 maart 2010, voor zover het betrekking heeft op de terugvordering van de gemaakte kosten van bijstand. Dit vergt slechts een rekenkundige uitwerking terwijl bovendien voor toepassing van de zogeheten bestuurlijke lus geen ruimte bestaat. Dit verdraagt zich niet met het rechtsmiddel van beroep in cassatie dat openstaat tegen de toepassing door de Raad van bepalingen over het begrip gezamenlijke huishouding.

5.

Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de kosten van appellant. Deze worden begroot op € 974,- in bezwaar, op € 974,- in beroep en op € 974,- in hoger beroep wegens verleende rechtsbijstand, in het totaal dus € 2.922,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 24 juni 2011 voor zover het

betrekking heeft op de intrekking van de bijstand over de periode van 4 oktober 2000 tot en

met 30 november 2000 en op de terugvordering van de gemaakte kosten van bijstand;

- draagt het college op om met inachtneming van deze uitspraak opnieuw te beslissen op het

bezwaar van appellant tegen het besluit van 31 maart 2010 voor zover dat betrekking heeft

op de terugvordering;

- veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van € 2.922,-;

- bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 156,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en W.F. Claessens en

C.H. Rombouts als leden, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 april 2014.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) M.R. Schuurman

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip gezamenlijke huishouding.

HD