Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1409

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-04-2014
Datum publicatie
29-04-2014
Zaaknummer
13-2617 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering bijstandsuitkering. Geen belemmeringen om arbeid en/of re-integratieactiviteiten te verrichten. Het oordeel van de rechtbank dat het college het bestreden besluit heeft mogen baseren op het onderzoek van A-REA van 8 maart 2012 wordt onderschreven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/2617 WWB

Datum uitspraak: 15 april 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van

3 april 2013, 12/11687 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Gouda (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.G. van den Heuvel, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft op 4 maart 2014 gevoegd plaatsgevonden met de zaak 12/2911 WIJ. Voor appellant is verschenen mr. Van den Heuvel. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. W. Klein-Thijssen. In de zaak 12/2911 WIJ wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Op 2 januari 2012 heeft appellant, geboren op [in] 1986, zich gemeld om bijstand aan te vragen op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2.

Tijdens het poortgesprek op 11 januari 2012 is voor appellant een plan van aanpak opgesteld waarin is aangegeven dat appellant zich gedurende een zoektermijn van vier weken en daarna moet oriënteren op een opleiding en vijf keer per week moet solliciteren. Omdat appellant meende niet te kunnen werken, is in het plan van aanpak tevens opgenomen dat appellant met een doktersverklaring moet aantonen dat hij niet in staat is te werken. Appellant heeft het plan van aanpak ondertekend.

1.3.

Bij het tweede gesprek op 6 februari 2012 bleek dat appellant niet had gesolliciteerd of zich had georiënteerd op een opleiding. Omdat hij nogmaals heeft gesteld dat hij niet kan werken, heeft de rapporteur besloten hem aan te melden bij A-REA voor een psychologisch belastbaarheidsonderzoek.

1.4.

De GZ-psycholoog van A-REA heeft op 7 maart 2012 met appellant gesproken en op

8 maart 2012 een advies uitgebracht.

1.5.

Bij besluit van 15 maart 2012, zoals na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 14 november 2012 (bestreden besluit), heeft het college de op 6 februari 2012 ingediende aanvraag afgewezen. Aan de besluitvorming heeft het college artikel 13, tweede lid, onder d, van de WWB ten grondslag gelegd. Op grond van het advies van 8 maart 2012 zijn er voor appellant geen belemmeringen om arbeid en/of re-integratieactiviteiten te verrichten. Uit de houding en gedragingen van appellant blijkt ondubbelzinnig dat hij de verplichtingen als bedoeld in artikel 9 van de WWB niet wil nakomen. Het advies is zorgvuldig tot stand gekomen en naar zijn inhoud deugdelijk. Appellant heeft geen contra-expertise ingebracht en een bedrijfs- en verzekeringsarts van A-REA heeft op 6 september 2012 het advies van 8 maart 2012 bevestigd.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft zich, samengevat, op het standpunt gesteld dat er geen grond was voor afwijzing van de aanvraag, omdat appellant psychische klachten had. Uit het medisch onderzoeksverslag van 1 oktober 2012, opgesteld door de verzekeringsarts van het UWV R.N. Nieuwenhoff (verzekeringsarts), en de daarbij behorende functionele mogelijkhedenlijsten (FML) in samenhang met het patiëntenjournaal van de huisarts van 31 juli 2012 blijkt dat appellant alleen al door de urenbeperking maar beperkt belastbaar is te achten voor arbeid. Het medisch onderzoek dat door A-REA is uitgevoerd is niet zorgvuldig, nu daaruit een andere conclusie werd getrokken.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellant heeft de houding en gedragingen die het college hem tegenwerpt niet betwist evenmin als de kwalificatie daarvan door het college. De afwijzing van de aanvraag als zodanig is dan ook niet in geschil.

4.2.

Wat partijen verdeeld houdt is het antwoord op de vraag of appellant ten tijde in geding niet (volledig) belastbaar was voor arbeid, zodat hij de op grond van artikel 9, eerste lid, van de WWB aan de bijstand verbonden verplichtingen niet kon nakomen en zijn houding en gedrag hem niet konden worden tegengeworpen.

4.3.

Een bijstandverlenend orgaan is in zaken als hier aan de orde gerechtigd om zich bij zijn besluitvorming te baseren op concrete adviezen van deskundigen. Daarbij dient het college zich ervan te vergewissen dat die adviezen voldoen aan de eisen die uit een oogpunt van zorgvuldigheid aan de besluitvorming zelf moeten worden gesteld. Om die reden kan van een deugdelijke advisering die het bestuursorgaan de mogelijkheid biedt daarop af te gaan slechts sprake zijn, indien uit die adviezen ten minste blijkt op basis van welke gegevens deze tot stand zijn gekomen en welke procedure bij het tot stand komen van die adviezen is gevolgd.

4.4.

Omdat appellant zich heeft beroepen op psychische klachten heeft het college onderzoek laten doen naar de vraag of appellant psychisch belastbaar was voor met arbeid en/of

re-integratiegerichte activiteiten. Het betrof een psychologisch belastbaarheidsonderzoek, met name bedoeld voor bijstandsgerechtigden die een beroep doen op psychische klachten. Het doel van een dergelijk onderzoek is onder meer het vaststellen van de algemene, psychische belastbaarheid van de betrokkene en onderzoek naar de arbeidsmogelijkheden of mogelijkheden om deel te nemen aan op re-integratie gerichte activiteiten. Niet valt in te zien waarom dit onderzoek niet had mogen worden uitgevoerd door een GZ-psycholoog van

A-REA, die zich alleen heeft uitgesproken over de psychische belastbaarheid.

4.5.

Het oordeel van de rechtbank dat het college het bestreden besluit heeft mogen baseren op het onderzoek van A-REA van 8 maart 2012 wordt onderschreven, evenals de overwegingen van de rechtbank. Daarbij is betrokken dat de in bezwaar overgelegde medische informatie opnieuw is voorgelegd aan A-REA. Op 6 september 2012 heeft een arts van A-REA geconcludeerd dat het onderzoek van 7 maart 2012 zorgvuldig is uitgevoerd. Deze arts heeft de in het rapport van 8 maart 2012 neergelegde conclusie na kennisneming van de nadere informatie onderschreven. Hij acht het opvragen van meer medische gegevens niet opportuun.

4.6.

De in hoger beroep overgelegde medische informatie, te weten het medisch onderzoeksverslag van de verzekeringsarts in combinatie met het patiëntenjournaal van de huisarts, leidt niet tot een ander oordeel. De verzekeringsarts heeft immers in het kader van de Wajong alleen de belastbaarheid per einde wachttijd op 18 augustus 2004 en per 12 oktober 2012 vastgesteld en neergelegd in een FML. De belastbaarheid per einde wachttijd is voor dit geding niet van betekenis omdat het hier een aanmerkelijk eerdere datum betreft. Ten aanzien van de bevindingen van de verzekeringsarts per 12 oktober 2012 geldt allereerst dat hier de vraag voorligt of appellant kon voldoen aan de in artikel 9, eerste lid, van de WWB neergelegde verplichtingen, waaronder sociale activering. Ook de verzekeringsarts merkt in zijn verslag van 1 oktober 2012 op dat het voor appellant, zelfs met de beperkingen die na einde wachttijd per heden zijn aangevuld, in ieder geval voor 20 uur per week belastbaar was en dat het voor hem bovendien een goede zaak zou zijn om te gaan werken.

4.7.

Uit 4.3 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en Y.J. Klik en C.H. Rombouts als leden, in tegenwoordigheid van C.E.M. van Paddenburgh als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 april 2014.

(getekend) R.H.M. Roelofs

(getekend) C.E.M. van Paddenburgh

HD