Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1393

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-04-2014
Datum publicatie
29-04-2014
Zaaknummer
13-300 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering terug te komen van eerder genomen besluiten waarbij bijstand en inkomensvoorziening zijn geweigerd. Periode 1) Geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Periode 2) Geen bijzondere omstandigheden die rechtvaardigen dat wordt afgeweken van het uitgangspunt dat geen uitkering wordt verleend over een periode voorafgaande aan de aanvraag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/300 WWB, 13/301 WWB

Datum uitspraak: 15 april 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 21 november 2012, 12/2435 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] (appellant) en [Appellante] (appellante) te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. D. Grses, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 maart 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Gürses, die ook is opgetreden voor appellante. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door E. Bruinsma.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving sinds 18 juni 2010 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Appellante, geboren op [in] 1984, is sinds

1 juli 2010 in aanmerking gebracht voor een inkomensvoorziening op grond van de Wet investeren in jongeren (WIJ). Bij besluit van 21 februari 2011 heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 6 december 2010 ingetrokken en de over de periode van

6 december 2010 tot en met 31 december 2010 ten onrechte gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 519,65 van appellant teruggevorderd. Bij besluit van eveneens 21 februari 2011 heeft het college de inkomensvoorziening van appellante met ingang van 6 december 2010 ingetrokken en de over de periode van 6 december 2010 tot en met 28 februari 2011 ten onrechte gemaakte kosten van de inkomensvoorziening tot een bedrag van € 1.767,81 van appellante teruggevorderd. Tegen deze besluiten hebben appellanten geen rechtsmiddelen aangewend.

1.2.

Bij besluit van 9 mei 2011 heeft het college aan appellant met ingang van 13 april 2011 wederom bijstand toegekend naar de norm voor een alleenstaande. Bij besluit van eveneens

9 mei 2011 heeft het college appellante over de periode van 13 april 2011 tot en met 24 april 2011 wederom in aanmerking gebracht voor een inkomensvoorziening op grond van de WIJ, met ingang van 25 april 2011 heeft het college de inkomensvoorziening beëindigd wegens het bereiken van de leeftijd van 27 jaar en heeft het college met ingang van die datum aan appellanten bijstand op grond van de WWB toegekend naar de norm voor gehuwden. Bij besluit van 19 oktober 2011 heeft het college het tegen het besluit van 9 mei 2011 gemaakte bezwaar, voor zover gericht tegen de ingangsdatum van 13 april 2011, ongegrond verklaard. Daarbij heeft het college overwogen dat uit de aanvraag van 13 mei 2011 niet blijkt dat appellanten een aanvraag om bijstand met terugwerkende kracht hebben ingediend. Indien zij alsnog over een voorliggende periode voor bijstand in aanmerking willen komen, moeten zij daartoe een schriftelijke aanvraag indienen. Appellanten hebben het tegen het besluit van

19 oktober 2011 ingestelde beroep ingetrokken.

1.3.

Op 25 november 2011 hebben appellanten een nieuwe aanvraag om bijstand ingediend. Daarbij hebben zij het college tevens verzocht de besluiten van 21 februari 2011 te herzien en hen alsnog met terugwerkende kracht tot 6 december 2010 uitkering te verlenen.

1.4.

Bij besluit van 13 januari 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 7 juni 2012 (bestreden besluit), heeft het college dit verzoek afgewezen. Over de periode van 6 december 2010 tot 21 februari 2011 is naar het oordeel van het college niet gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Over de periode van 21 februari 2011 tot 13 april 2011 is naar het oordeel van het college niet gebleken van bijzondere omstandigheden die verlening van bijstand en inkomensvoorziening met terugwerkende kracht rechtvaardigen.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank, samengevat, overwogen dat geen sprake is van nieuwe feiten of gewijzigde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb die het college ertoe hadden moeten brengen terug te komen van de besluiten van 21 februari 2011. Daarnaast is er geen sprake van strijd met het vertrouwensbeginsel.

3.

In hoger beroep hebben appellanten aangevoerd dat zich bijzondere omstandigheden voordoen die rechtvaardigen dat met terugwerkende kracht tot 6 december 2010 uitkering aan appellanten wordt verleend. Tevens is een beroep gedaan op het vertrouwensbeginsel nu van de zijde van het college telefonisch is toegezegd dat indien de door appellanten in maart 2011 overgelegde gegevens ertoe zouden leiden dat ze weer voor bijstand in aanmerking zouden komen, het college zou terugkomen van de besluiten van 21 februari 2011.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 25, eerste lid, van de WIJ stelt het college het recht op een inkomensvoorziening ambtshalve vast, gelijktijdig met de vaststelling van het recht op een werkleeraanbod.

4.2.

Ingevolge artikel 24, tweede lid, van de WIJ wordt de inkomensvoorziening toegekend vanaf de dag waarop het recht is ontstaan, te rekenen vanaf de datum van de aanvraag, bedoeld in artikel 14. Artikel 14, eerste lid, bepaalt dat het college het recht op een werkleeraanbod op aanvraag vaststelt.

4.3.

In geschil is de vraag of het college mocht weigeren om terug te komen van de besluiten van 21 februari 2011 en bijstand en een inkomensvoorziening te verlenen over de periode voorafgaand aan 13 april 2011.

4.4.

Onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 23 maart 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM0861 bestaat aanleiding onderscheid te maken in verschillende periodes vanwege het verschil in toetsingskader bij die te onderscheiden periodes. Bij een te beoordelen periode waarover reeds besluitvorming heeft plaatsgevonden ligt het op de weg van de aanvrager nieuwe feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6, eerste lid, van de Awb aan te voeren op grond waarvan er voor het bestuursorgaan aanleiding moet zijn van zijn eerdere besluitvorming terug te komen. Over een periode die ligt voor de datum van de aanvraag en waarover nog geen inhoudelijke besluitvorming heeft plaatsgevonden wordt volgens vaste rechtspraak van de Raad, waaronder de uitspraak van 2 november 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO2996, inzake de toepassing van artikel 43 en artikel 44 van de WWB in beginsel geen bijstand verleend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken wanneer bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. Uit de onder 4.1 en 4.2 aangehaalde bepalingen van de WIJ vloeit voort dat deze beoordeling eveneens van toepassing is voor de verlening van een inkomensvoorziening.

De periode van 6 december 2010 tot en met 21 februari 2011

4.5.

Het verzoek van appellanten strekt ertoe dat het college terugkomt van de ambtshalve genomen besluiten van 21 februari 2011. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (de uitspraak van 21 oktober 2003, ECLI:NL:CRVB:2003:AM3202) is op zo’n verzoek artikel 4:6 van de Awb van overeenkomstige toepassing. Dit betekent dat de aanvrager nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden naar voren moet brengen. Wanneer de aanvrager dat niet doet, kan een bestuursorgaan het verzoek afwijzen met een verwijzing naar zijn eerdere besluit. Ook als zonder meer duidelijk is dat wat bij het verzoek is aangevoerd niet van belang kan zijn voor het eerdere besluit, mag een bestuursorgaan het verzoek op deze manier afwijzen. Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.

4.6.

Ter ondersteuning van hun verzoek hebben appellanten aangevoerd dat appellante in maart 2011 naar Turkije is afgereisd om de door het college op 29 november 2010 gevraagde gegevens over bezit in Turkije en afschriften van een Turkse visakaart op te halen. Dit zijn geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden aangezien deze gegevens reeds eerder voorhanden waren danwel hadden kunnen zijn. Dat appellanten daartoe niet eerder zijn overgegaan doet hieraan niet af. Het college mocht het verzoek van appellanten dan ook afwijzen onder verwijzing naar zijn besluiten van 21 februari 2011. In wat appellanten hebben aangevoerd zijn geen bijzondere omstandigheden gelegen die het college in dit geval aanleiding hadden moeten geven tot een andere beslissing te komen.

De periode van 22 februari 2011 tot en met 12 april 2011

4.7.

Over deze periode heeft nog geen inhoudelijke besluitvorming plaatsgevonden, zodat beoordeeld moet worden of sprake is van bijzondere omstandigheden die rechtvaardigen dat wordt afgeweken van het uitgangspunt dat geen uitkering wordt verleend over een periode voorafgaande aan de aanvraag. De omstandigheid dat, zoals appellanten aanvoeren, nadien is gebleken dat zij naar aanleiding van de in maart 2011 uit Turkije opgehaalde en overgelegde gegevens materieel voldeden aan de voorwaarden om voor een uitkering in aanmerking te komen, kan niet als een dergelijke bijzondere omstandigheid worden aangemerkt.

4.8.

Het beroep op het vertrouwensbeginsel treft evenmin doel. Een beroep op het vertrouwensbeginsel kan volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 9 augustus 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR4926) alleen slagen als van de kant van het tot beslissen bevoegde orgaan uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezeggingen zijn gedaan, die bij de betrokkene gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt. Aan deze eisen wordt in dit geval niet voldaan. Uit de stukken blijkt niet dat een medewerkster van het college telefonisch heeft toegezegd dat de besluiten van 21 februari 2011 worden herzien, indien de in maart 2011 overgelegde gegevens niet aan verlening van bijstand in de weg staan. Bovendien was deze medewerkster volgens het college niet bevoegd op een dergelijk verzoek te beslissen.

4.9.

Het voorgaande betekent dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet daarom, gedeeltelijk met verbetering van gronden, worden bevestigd.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 april 2014.

(getekend) J.C.F. Talman

(getekend) M.R. Schuurman

HD