Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1390

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-04-2014
Datum publicatie
29-04-2014
Zaaknummer
13-531 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Functieonderhoud afgewezen. Werkzaamheden in functiebeschrijving voldoende beschreven. Bezwarende omstandigheden zijn voldoende in de functietypering neergelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/531 AW, 13/532 AW, 13/533 AW

Datum uitspraak: 24 april 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

18 december 2012, 12/2203, 122207 en 12/2210 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant 1] te [woonplaats 1]

[Appellant 2] te [woonplaats 2]

[Appellant 3] te[woonplaats 3] (appellanten)

De korpschef van politie (korpschef)

PROCESVERLOOP

Ingevolge artikel 5 van de Wet van 12 juli 2012 tot invoering van de Politiewet 2012 en aanpassing van overige wetten aan die wet (Invoerings- en aanpassingswet Politiewet 2012, Stb. 2012, 316) is in dit geschil de korpschef in de plaats getreden van de korpsbeheerder van de politieregio Amsterdam-Amstelland, ten name van wie het geding aanvankelijk is gevoerd. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van de korpschef, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) de korpsbeheerder verstaan.

Namens appellanten heeft mr. R. Radema hoger beroep ingesteld.

De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 januari 2014. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. Radema. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Y. Kuijt, H.G.J. Breuer en K. Kuipers.

OVERWEGINGEN

1.1. In het Akkoord Arbeidsvoorwaarden sector Politie 2008-2010 is onder meer afgesproken dat voor de sector Politie landelijk een nieuw functiegebouw zal gaan gelden. Er is een stelsel van ongeveer 100 organieke functies met daarbij behorende functiebenamingen ontwikkeld, voorzien van een waardering per organieke functie. Op basis van matching wordt een vertaalslag gemaakt van de oude naar de nieuwe functies, inclusief de bijbehorende waardering. Dit geheel wordt aangeduid als het Landelijk Functiegebouw Nederlandse Politie (LFNP). Invoering van het LFNP geschiedt in twee stappen. De eerste stap is de vaststelling van de uitgangspositie(s) van de ambtenaar in de periode vanaf 31 december 2009 tot en met 31 maart 2011. In dit verband worden de uitgangspositie(s) omschreven als: de functie(s) en in samenhang daarmee de functiebeschrijving(en) en/of de schriftelijk opgedragen werkzaamheden en/of bijzondere situaties (zoals outplacement) van een ambtenaar op enig moment vanaf 31 december 2009, zoals vastgelegd in een besluit of in besluiten. Met het oog op het bepalen van de uitgangspositie(s) wordt aan alle ambtenaren een voorgenomen besluit uitgangspositie(s) gezonden. Daarin wordt onder meer gewezen op de mogelijkheid om eenmalig functieonderhoud aan te vragen op de wijze zoals omschreven in artikel 3 van de Tijdelijke regeling functieonderhoud politie (Trfp). Toegekend functieonderhoud is van invloed op de uitgangspositie. De tweede stap is de feitelijke matching van de uitgangspositie(s) van de ambtenaar met een functie uit het LFNP.

1.2. Appellanten zijn werkzaam op de [naam onderdeel] van de afdeling [naam afdeling] van de Dienst [naam dienst]. In april 2011 heeft de korpschef aan appellanten het voornemen kenbaar gemaakt om de uitgangspositie in het kader van het LFNP te bepalen op medewerker/4/[naam afdeling B.]. Appellanten hebben schriftelijk bedenkingen tegen dit voornemen geuit en tevens aanvragen gedaan tot functieonderhoud.

1.3. Bij besluiten van 21 oktober 2011 heeft de korpschef de aanvragen tot functieonderhoud afgewezen. Daaraan heeft de korpschef ten grondslag gelegd dat de taken die appellanten verrichten in het kader van de ‘chain of custody’ niet nieuw zijn en als zodanig afzonderlijk zijn behandeld in het verzoek om functieonderhoud. De aspecten die naar de mening van appellanten verzwarende elementen zijn, zoals de zelfstandige houding bij de vele administratieve handelingen en de grote hoeveelheid goederen en sporen die de [naam onderdeel] in behandeling heeft, zijn eveneens geen nieuwe taken en betreffen competenties die nodig zijn voor een goede uitoefening van de functie. Daaraan wordt in het functieonderhoudstraject geen functiewaardering toegekend. De taakuitvoering blijft daarvoor leidend.

Bij besluiten van 24 oktober 2011 heeft de korpschef de uitgangspositie van appellanten overeenkomstig het voornemen van april 2011 vastgesteld.

1.4. Appellanten hebben tegen de besluiten van 21 oktober 2011 bezwaar gemaakt omdat zij het samenstel van werkzaamheden niet herkennen in de functiebeschrijving. Daarin is volgens appellanten niet terug te vinden dat het gaat om de inname van stukken van overtuiging en andere [naam] goederen, wat niet te vergelijken is met het ontvangen en verwerken van gewone stukken.

1.5. Bij besluiten van 3 april 2012 (bestreden besluiten) heeft de korpschef de bezwaren ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.

3.

In hoger beroep hebben appellanten de juistheid van die uitspraak op de hierna te bespreken gronden bestreden.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In het kader van het functieonderhoud op grond van artikel 6, negende lid, van het Besluit bezoldiging politie, zoals deze bepaling met ingang van 31 december 2009 luidt, gaat het om de vraag of de feitelijk aan appellanten opgedragen werkzaamheden gedurende ten minste één jaar wezenlijk afwijken van de organieke functiebeschrijving. De korpschef heeft in de aanvragen tot functieonderhoud van appellanten geen aanleiding gevonden om functieonderhoud toe te passen. Het geschil in hoger beroep spitst zich toe op de vraag of in de functiebeschrijving adequaat tot uitdrukking is gebracht dat appellanten werkzaamheden verrichten ten behoeve van het opsporingsproces, waarbij strenge kwaliteitsnormen worden gehanteerd hetgeen een groter afbreukrisico met zich brengt.

4.2.

Appellanten hebben aangevoerd dat de kern van hun samenstel van werkzaamheden, namelijk ‘het verrichten van administratieve en operationeel ondersteunende werkzaamheden in het [naam]/tactische opsporingsproces en daarmee bijdragen aan een juiste, tijdige verwerking en vastlegging van gegevens ten behoeve van dat proces’, niet overeenkomt met de kern van de voor hen geldende functiebeschrijving. De Raad volgt appellanten daarin niet. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat de verwerking van stukken van overtuiging en andere [naam] goederen in de functiebeschrijving voldoende is beschreven. Deze werkzaamheden zijn te vatten onder de hoofdbestanddelen ‘post/documentatie/archief’ en ‘behandelt de post’. Die taken komen overeen met de kern van de functie van appellanten, te weten administratieve en secretariële werkzaamheden. Voorts is het gegeven dat appellanten, zoals zij ter zitting nog hebben toegelicht, regelmatig collega’s moeten aanspreken op het niet juist aanleveren van de stukken, voldoende tot uitdrukking gebracht in het bestanddeel ‘contacten met collega’s, in- en externe personen/instanties’. Dat door de korpschef gebruik wordt gemaakt van een abstracte beschrijving in deze organieke functietypering, waarin niet elke taak apart wordt omschreven, is inherent aan het systeem van beredeneerd vergelijken.

4.3.

Verder hebben appellanten aangevoerd dat in de functietypering onvoldoende tot uitdrukking is gebracht dat in hun werk sprake is van bezwarende werkomstandigheden, zoals een hoog afbreukrisico, de daarmee samenhangende psychische belasting en het risico van persoonlijk letsel. De in de functiebeschrijving genoemde bezwarende omstandigheid ‘werken met beeldscherm’ is volgens appellanten onvoldoende om een adequate basis te vormen voor een consistente toepassing van het functiewaarderingssysteem. De gemachtigde van de korpschef heeft daarover ter zitting toegelicht dat bij het opstellen van de functiebeschrijving en ook bij de ‘matching’ die daarna heeft plaatsgevonden rekening is gehouden met het feit dat appellanten ondersteuning bieden aan het opsporingsproces. Dat is tot uitdrukking gebracht door de functie te koppelen aan het werkproces [naam] opsporing onderzoek. Appellanten zijn daarom ook gematcht binnen het domein van de uitvoering, nu zij het politiewerk ondersteunen. Verder is toegelicht dat de stukken van overtuiging en andere [naam] goederen over het algemeen goed verpakt zijn en dat voor de ontvangst en verwerking van die stukken protocollen zijn vastgesteld. De bezwarende omstandigheden zijn dan ook voldoende in de functietypering neergelegd. De Raad ziet geen aanleiding om de korpschef niet in dit betoog te volgen. Weliswaar hebben appellanten met name met stukken van overtuiging en andere [naam] goederen van doen, maar gelet op de toelichting van de korpschef zijn de werkzaamheden niet zodanig bezwarend dat de functietypering van appellanten op dit onderdeel niet zou kunnen worden gehandhaafd. Appellanten zijn er dan ook niet in geslaagd aannemelijk te maken dat de werkzaamheden wezenlijk afweken van de voor hen geldende functiebeschrijving.

4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en K.J. Kraan en M.C.D. Embregts als leden, in tegenwoordigheid van C.E.M. van Paddenburgh als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 april 2014.

(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans

(getekend) C.E.M. van Paddenburgh

HD