Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1388

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-04-2014
Datum publicatie
29-04-2014
Zaaknummer
12-5045 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schorsing. Ten uitvoerlegging straf van voorwaardelijk ontslag. Ernstig plichtsverzuim door niet uit eigen beweging opening van zaken te geven over het verboden wapenbezit, ook niet nadat de illegale wapens in beslag waren genomen. Voorwaarden voor de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf van ontslag zijn vervuld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/5045 AW

Datum uitspraak: 24 april 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van

9 augustus 2012, 12/938 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats](appellant)

het bestuur van de dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid Noardwest Fryslân (bestuur)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. G.W. Brouwer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Namens het bestuur heeft mr. K.F.M.A. Weijling, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 januari 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Brouwer. Het bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. Weijling en H. Jillings.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was sinds 1 december 2007 werkzaam bij de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid Noardwest Fryslân, in de functie van medewerker terugvordering en verhaal.

1.2. Het bestuur heeft bij besluit van 19 april 2011 appellant de straf van voorwaardelijk ontslag opgelegd wegens plichtsverzuim, bestaande uit het oneigenlijk gebruik maken van de uitvraag op Suwinet. Bepaald is dat deze straf niet ten uitvoer wordt gelegd indien appellant zich gedurende vierentwintig maanden volgende op het definitieve besluit niet schuldig maakt aan soortgelijk plichtsverzuim als waarvoor de bestraffing plaatsvindt, noch aan enig ander ernstig plichtsverzuim. In dit besluit heeft appellant berust.

1.3. Op 20 september 2011 heeft het bestuur appellant de toegang tot de gebouwen van de Dienst ontzegd en het voornemen kenbaar gemaakt de eerder opgelegde straf van voorwaardelijk ontslag ten uitvoer te leggen en appellant in afwachting daarvan te schorsen. Aan dit besluit heeft het bestuur het volgende ten grondslag gelegd. Naar aanleiding van een bericht in de [plaatsnaam] Courant over een inval in een woning aan de [Adres] in[plaatsnaam] waarbij illegale wapens in beslag zijn genomen, heeft het bestuur appellant tot tweemaal toe gevraagd naar zijn mogelijke betrokkenheid hierbij. Appellant heeft bij beide gelegenheden ontkend dat het zijn woning betrof. Vervolgens heeft het bestuur deze informatie geverifieerd en de Officier van Justitie van het Arrondissementsparket[plaatsnaam] heeft bericht dat jegens appellant proces-verbaal is opgemaakt en dat hij wordt verdacht van het overtreden van artikel 26, eerste lid, Wet wapens en munitie: het voorhanden hebben/dragen van een of meer vuurwapens categorie III. Het bestuur heeft zowel het niet naar waarheid verklaren als het illegaal voorhanden hebben van vuurwapens gekwalificeerd als ernstig plichtsverzuim.

1.4. Bij besluit van 13 oktober 2011 heeft het bestuur appellant met onmiddellijke ingang geschorst en de straf van voorwaardelijk ontslag met ingang van 1 november 2011 alsnog ten uitvoer gelegd.

1.5. Bij besluit van 12 maart 2012 (bestreden besluit) heeft het bestuur het besluit van

13 oktober 2011 na bezwaar gehandhaafd.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Hij heeft de vastgestelde feiten niet betwist, maar aangevoerd dat de verweten gedragingen geen plichtsverzuim dan wel geen ernstig plichtsverzuim opleveren, nu het een privéaangelegenheid betrof die geen enkel verband hield met zijn werkzaamheden als ambtenaar.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.Volgens vaste rechtspraak van de Raad (15 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT2637 en 8 december 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU8508) moet bij de toetsing van een besluit tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk strafontslag beoordeeld worden of het gepleegde plichtsverzuim uitvoering van de eerder opgelegde voorwaardelijke straf rechtvaardigt. Naast die beoordeling is er geen plaats meer voor een evenredigheidstoetsing. Beoordeeld moet dus worden of de gestelde voorwaarde voor de tenuitvoerlegging is vervuld, en zo ja, of de voor die tenuitvoerlegging in aanmerking te nemen belangen zijn afgewogen en of in redelijkheid tot die tenuitvoerlegging kon worden gekomen. Gezien het karakter van een besluit tot tenuitvoerlegging is deze belangenafweging van beperkte betekenis. Alleen onder bijzondere omstandigheden kan van een bestuursorgaan worden verlangd dat het afziet van tenuitvoerlegging in een geval waarin de voorwaarde voor die tenuitvoerlegging is vervuld.

4.2.

Het voorhanden hebben van wapens categorie III is op grond van de Wet wapens en munitie een misdrijf. Dat het wapenbezit zich afspeelde in de privésfeer sluit niet uit dat deze gedraging plichtsverzuim kan opleveren. Deze situatie doet zich hier voor, nu appellant een functie vervult waarin hoge eisen worden gesteld aan onkreukbaarheid en integriteit. Gezien de werkzaamheden en de externe contacten van een medewerker terugvordering en verhaal mag van deze functionaris worden verwacht dat hij van onbesproken gedrag is. Door niet uit eigen beweging opening van zaken te geven over het verboden wapenbezit, ook niet nadat de illegale wapens in beslag waren genomen, heeft appellant zich in dit opzicht in een kwetsbare positie gebracht. Dit is aan te merken als plichtsverzuim. Het bestuur heeft voorts verwacht en ook mogen verwachten van appellant dat hij zou meewerken aan een onderzoek naar aanleiding van gerechtvaardigde twijfels omtrent zijn integriteit. Door tot tweemaal toe niet naar waarheid te antwoorden op de hierover gestelde vragen, is appellant tekortgeschoten in de voor een medewerker terugvordering en verhaal vereiste integriteit. Ook dit levert plichtsverzuim op. Gelet op de aard van beide gedragingen heeft het bestuur deze terecht gekwalificeerd als ernstig plichtsverzuim. Dit brengt mee dat de voorwaarden voor de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf van ontslag zijn vervuld.

4.3.

Gezien het voorgaande slaagt het hoger beroep niet, zodat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en J.N.A. Bootsma en M.C.D. Embregts als leden, in tegenwoordigheid van C.E.M. van Paddenburgh als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 april 2014.

(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans

(getekend) C.E.M. van Paddenburgh

ew