Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1383

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-04-2014
Datum publicatie
28-04-2014
Zaaknummer
12-4728 AW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De beslissing van [naam stichting] om geen feitenonderzoek in te stellen is niet op rechtsgevolg gericht. De weigering om een zodanig onderzoek in te stellen raakt appellant niet rechtstreeks in zijn belangen in de hoedanigheid van ambtenaar. Van een besluit in de zin van artikel 1:3 of een daaraan gelijk te stellen handeling als bedoeld in artikel 8:1 van de Awb is geen sprake.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2014/203

Uitspraak

12/4728 AW

Datum uitspraak: 24 april 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 9 juli 2012, 11/1385 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

Stichting [naam stichting] (Stichting)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens de Stichting heeft mr. H. Eillert, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 maart 2014. Appellant is verschenen. De Stichting heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.J. van der Vaart, advocaat, en

D.W. Bruil.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was werkzaam als groepsleerkracht op een openbare basisschool van [naam stichting]. In 2005 heeft een ouder van een leerling over appellant een beschuldiging geuit. Achteraf is die beschuldiging onjuist bevonden. De Raad heeft bij uitspraak van 8 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BG8844), onder meer aan [naam stichting] opgedragen om appellant te rehabiliteren door een bericht aan de ouders en leerkrachten te sturen waarin onder andere is vermeld dat door [naam stichting] niet adequaat is gereageerd op de over appellant geuite - maar niet juist bevonden - beschuldiging en [naam stichting] in strijd met de jegens een personeelslid vereiste zorgvuldigheid geen adequate informatie heeft verschaft toen daarover geruchten de ronde gingen doen, met als gevolg dat de reputatie van appellant ten onrechte is beschadigd. Met ingang van 23 april 2009 is het dienstverband van appellant met [naam stichting] beëindigd.

1.2. Bij brief van 9 maart 2011 heeft appellant aan [naam stichting] verzocht om een objectief feitenonderzoek in te stellen naar aanleiding van de in 2005 geuite beschuldiging, alsmede naar hetgeen in verband daarmee is vermeld in het rapport “Februari 2005 [appellant] (verslag ‘beschuldiging sexueel getinte uitspraken’)” van de schooldirecteur (rapport). Dat verzoek is afgewezen bij brief van 17 maart 2011.

1.3. Bij besluit van 28 november 2011 (bestreden besluit) is het bezwaar van appellant tegen die afwijzing ongegrond verklaard.

2.

De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe is overwogen dat betrokkene niet in zijn rechtspositie is geraakt door de afwijzing van het verzoek om een objectief feitenonderzoek in te stellen. De rechtbank heeft daar de conclusie aan verbonden dat geen bezwaar kon worden ingediend tegen de afwijzing.

3.

In hoger beroep heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat de schriftelijke weigering een feitenonderzoek in te stellen is aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:2

(lees: 1:3), eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Appellant heeft erop gewezen dat hem door zijn direct leidinggevende, alsook door [naam stichting], op basis van de onterechte beschuldiging, onprofessioneel en grensoverschrijdend gedrag is verweten en dat die verweten gedragingen zijn gedocumenteerd, terwijl nooit is nagegaan of die beschuldigingen een feitelijke grondslag hebben. Door het uitblijven van een objectief feitenonderzoek naar die verweten en gedocumenteerde gedragingen meent appellant wel degelijk in zijn rechtspositie te worden geraakt.

4.

De Raad overweegt als volgt.

4.1.

De beslissing van [naam stichting] om geen feitenonderzoek in te stellen is niet op rechtsgevolg gericht. De weigering om een zodanig onderzoek in te stellen raakt appellant niet rechtstreeks in zijn belangen in de hoedanigheid van ambtenaar. Van een besluit in de zin van artikel 1:3 of een daaraan gelijk te stellen handeling als bedoeld in artikel 8:1 van de Awb is geen sprake. Verwezen wordt naar de uitspraak van 14 februari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1522.

4.2.

Het door appellant beoogde feitenonderzoek door [naam stichting] naar de beschuldiging en hetgeen daarover is vermeld in schriftelijke stukken, is geen als een rechtspositioneel aan te merken belang waarbij appellant rechtstreeks in de hoedanigheid van ambtenaar wordt getroffen. Bedacht dient te worden dat in de onder 1.1 genoemde uitspraak van de Raad van

8 januari 2009 is vastgesteld dat de beschuldiging onjuist was en dat appellant vervolgens is gerehabiliteerd. Zelfs indien er enig rechtspositioneel belang zou zijn, is dat ter zitting vervallen omdat door [naam stichting] is verklaard dat ook de inhoud van het rapport, gelet op de zojuist genoemde uitspraak, onjuist is te achten, waarbij nadrukkelijk is bevestigd dat het rapport thans dan ook van tafel is.

4.3.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en J.J.A. Kooijman en

W. van den Brink als leden, in tegenwoordigheid van J.T.P. Pot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 april 2014.

(getekend) B.J. van de Griend

(getekend) J.T.P. Pot

HD