Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1373

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-04-2014
Datum publicatie
28-04-2014
Zaaknummer
12-4023 WMO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling persoonsgebonden budget. De rechtbank heeft bij de vaststelling van het budget tot uitgangspunt genomen de door het college aangedragen inpandige oplossing, variant 1 (begane grond en eerste verdieping), zoals opgenomen in de kostenraming behorend bij de brief van het college van 17 april 2012. Appellante heeft terecht aangevoerd dat de rechtbank heeft nagelaten de door appellante in bezwaar gemaakte kosten voor in 2011 verrichte werkzaamheden door de deskundige van € 810,39 en woningtaxatie van € 320,- in de proceskostenveroordeling te betrekken. Appellante heeft immers in bezwaar verzocht om vergoeding van deze kosten. Ook heeft zij in beroep wederom om vergoeding van deze kosten verzocht en heeft zij de daarop betrekking hebbende specificaties ingediend. De rechtbank heeft voorts de in bezwaar gemaakte kosten voor rechtsbijstand van € 974,- ten onrechte buiten beschouwing gelaten. Hieruit volgt dat de proceskosten in beroep in totaal € 3.765,39 bedragen, waarvan de rechtbank € 2.104,39 niet heeft onderkend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/4023 WMO

Datum uitspraak: 16 april 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van

6 juni 2012, 11/1408 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Brunssum (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. drs. J.G.C. van Schaik, gemachtigde, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 maart 2014. Namens appellante is verschenen mr. drs. Van Schaik. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. H.M.E.M. van den Berg, mr. E.E.J.P. Aarts-Frehen en M.A. Roumans-Kuipers.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante, geboren [in] 1946, lijdt aan een chronisch progressieve neurologische aandoening. Zij is rolstoel gebonden. Voorts ondervindt zij onder meer beperkingen van het urinewegstelsel. Appellante woont samen met haar echtgenoot in een koopwoning met drie woonlagen en twee trappen. Er is een souterrain. De begane grond heeft een woonkamer, keuken en toilet. Op de eerste verdieping bevinden zich drie slaapkamers en een badkamer met een tweede toilet.

1.2.

Appellante heeft op 16 maart 2010 op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) een aanvraag ingediend voor een vergoeding in de kosten voor een woonvoorziening met als doel de woning rolstoelgeschikt te maken.

1.3.

Bij besluit van 3 februari 2011 heeft het college de aanvraag afgewezen onder verwijzing naar het in artikel 4.4, tweede lid, van de Verordening individuele voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Brunssum 2010 (Verordening) vastgelegde primaat van de verhuizing en aan appellante een financiële tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten toegekend. Daarnaast heeft het college appellante met toepassing van de hardheidsclausule financiële vergoedingen toegekend in verband met de kosten van dubbele woonlasten en de kosten van verhuizing door een erkend verhuisbedrijf.

1.4.

Bij besluit van 2 augustus 2011 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 3 februari 2011 ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat het college aan appellante een persoonsgebonden budget (pgb) van € 56.000,- verstrekt, dat moet worden aangewend voor het treffen van woningaanpassingen in de thans bij appellante in gebruik zijnde woning. Hieraan heeft de rechtbank, samengevat, ten grondslag gelegd dat de door het college gekozen oplossing in de vorm van een tegemoetkoming in de verhuis- en (her)inrichtingskosten niet voldoet aan de in artikel 4, eerste lid, van de Wmo bedoelde compensatieplicht. Daartoe heeft de rechtbank doorslaggevend geacht dat uit de rapporten van de GGD blijkt dat van de echtgenoot van appellante op psychische gronden niet kan worden gevergd dat hij verhuist naar een gelijkvloerse woning. De rechtbank heeft vervolgens het budget voor de goedkoopst adequate woningaanpassing vastgesteld aan de hand van de door partijen daartoe verstrekte gegevens. Hierbij is de rechtbank uitgegaan van de door het college overgelegde kostenraming voor een inpandige woningaanpassing (begane grond en eerste verdieping), inclusief plaatsing van een tweestoplift. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat appellante met het toegekende bedrag de mogelijkheid wordt geboden de meest noodzakelijke aanpassingen te laten uitvoeren, zodat zij met al haar beperkingen in haar huis kan blijven wonen en ook haar therapeutische oefeningen thuis kan blijven verrichten. Gelet op de hoogte van de kosten die met deze aanpassingen reeds gemoeid zijn is de rechtbank van oordeel dat niet alle door appellante gewenste voorzieningen behoeven te worden gerealiseerd. Ten slotte heeft de rechtbank het college veroordeeld in de proceskosten tot een bedrag van € 1.661,-, waarvan € 350,- betrekking heeft op door de deskundige J. Grootveld in beroep verrichtte werkzaamheden.

3.

Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd en, samengevat, het volgende aangevoerd. Het door de rechtbank bepaalde budget voor de woningaanpassing is gebaseerd op een raming, zonder dat deze in schetsen is uitgewerkt. Daarom mag de uitspraak van de rechtbank er niet aan in de weg staan dat het college extra budget ter beschikking stelt indien appellante bij de uitvoering van de woningaanpassing wordt geconfronteerd met meerkosten of onvoorziene posten, die niet in de ramingen zijn opgenomen, maar wel noodzakelijk zijn voor een goede uitvoering van de woningaanpassing. De door appellante in bezwaar gemaakte kosten voor rechtsbijstand en deskundigenrapporten heeft de rechtbank ten onrechte buiten beschouwing gelaten.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De Raad stelt voorop dat ter zitting van de Raad duidelijk is geworden dat de rechtbank bij de vaststelling van het budget tot uitgangspunt heeft genomen de door het college aangedragen inpandige oplossing, variant 1 (begane grond en eerste verdieping), zoals opgenomen in de kostenraming behorend bij de brief van het college van 17 april 2012. De totale kosten hiervan bedragen € 56.105,95 (inclusief BTW). Deze kosten zijn uitgewerkt in de bijbehorende raming van Grausbouw B.V. van 16 april 2012, situatie 2. Dit is de meest sobere variant van de op verzoek van de rechtbank door het college uitgewerkte oplossingen. De overweging van de rechtbank dat gelet op de kosten niet alle door appellante gewenste voorzieningen behoeven te worden gerealiseerd moet in dat licht worden bezien.

4.2.

Ter zitting van de Raad is namens het college te kennen gegeven dat voor het realiseren van de woningaanpassing de uitspraak van de rechtbank leidend is en dat variant 1 daarom uitgangspunt is. In geval van onvoorziene bouwkundige problemen bij het uitvoeren van die variant bestaat volgens het college de mogelijkheid tot het in aanvulling op de uitspraak van de rechtbank doen van een aanvraag. Het betoog van appellante dat de uitspraak van de rechtbank in de weg staat aan het verkrijgen van extra budget voor onvoorziene kosten slaagt daarom niet.

4.3.

Appellante heeft terecht aangevoerd dat de rechtbank heeft nagelaten de door appellante in bezwaar gemaakte kosten voor in 2011 verrichte werkzaamheden door de deskundige

J. Grootveld van € 810,39 en woningtaxatie van € 320,- in de proceskostenveroordeling te betrekken. Appellante heeft immers in bezwaar verzocht om vergoeding van deze kosten. Ook heeft zij in beroep wederom om vergoeding van deze kosten verzocht en heeft zij de daarop betrekking hebbende specificaties ingediend. De rechtbank heeft voorts de in bezwaar gemaakte kosten voor rechtsbijstand van € 974,- ten onrechte buiten beschouwing gelaten. Hieruit volgt dat de proceskosten in beroep in totaal € 3.765,39 bedragen, waarvan de rechtbank € 2.104,39 niet heeft onderkend.

4.4.

Uit 4.3 volgt dat het hoger beroep slaagt voor wat betreft de proceskostenveroordeling. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover de onder 4.3 genoemde kosten niet in de proceskostenveroordeling zijn betrokken. De Raad zal ter zake beslissen, zoals de rechtbank had behoren te doen. Voorts volgt uit 4.1 en 4.2 dat de aangevallen uitspraak voor het overige, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.

5.

Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 2.104,39 voor de resterende proceskosten in beroep. In hoger beroep worden deze begroot op € 974,- voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover het betreft de niet in de proceskostenveroordeling betrokken kosten genoemd onder 4.3;

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige, voor zover aangevochten;

  • -

    veroordeelt het college in de resterende proceskosten van appellante in beroep tot een bedrag van € 2.104,39 en in de proceskosten in hoger beroep tot een bedrag van € 974,-;

  • -

    bepaalt dat het college aan appellante het door haar in hoger beroep betaalde griffierecht van

€ 115,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij als voorzitter en M.F. Wagner en

G. van Zeben-de Vries als leden, in tegenwoordigheid van D. Heeremans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 april 2014.

(getekend) H.J. de Mooij

(getekend) D. Heeremans

IvR