Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1372

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-04-2014
Datum publicatie
28-04-2014
Zaaknummer
13-1014 WTOS
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening toekenning tegemoetkoming. Geen recht op een tegemoetkoming over de periode 2010 tot en met juni 2011. Anders dan betrokkene meent, kan uit geen van de schoolverklaringen die zich bij de gedingstukken bevinden worden afgeleid dat de informatie waarop de Minister zijn besluit tot herziening heeft gebaseerd onjuist was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/1014 WTOS, 13/1657 WTOS

Datum uitspraak: 23 april 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

14 februari 2013, 11/2114 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Minister)

PROCESVERLOOP

De Minister heeft hoger beroep ingesteld. Namens betrokkene heeft haar vader,

P.J.N. Schouten, hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene is een verweerschrift ingediend. De Minister heeft eveneens een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 maart 2014. Betrokkene heeft zich laten vertegenwoordigen door haar vader. De Minister heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. drs. E.H.A. van den Berg.

OVERWEGINGEN

1.1. Door middel van een aanvraagformulier van 28 augustus 2009 heeft betrokkene een tegemoetkoming op grond van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (WTOS) aangevraagd voor haar 1-jarige VAVO-opleiding (VWO) aan het ROC Kop van Noord-Holland. Op het formulier heeft zij vermeld dat deze opleiding een voltijdopleiding is van 850 klokuren of meer per jaar.

1.2. Bij besluit van 10 september 2009 heeft de Minister de aangevraagde tegemoetkoming verstrekt voor de periode augustus tot en met december 2009. Bij besluit van

26 november 2009 heeft de Minister de tegemoetkoming ook toegekend voor de periode januari tot en met juni 2010.

1.3. Door middel van een wijzigingsformulier van 25 september 2010 heeft betrokkene aan de Minister doorgegeven dat zij ook voor het schooljaar 2010-2011 een tegemoetkoming wil ontvangen omdat zij de duur van haar opleiding met een jaar heeft verlengd.

1.4. Net als voor het schooljaar 2009-2010 is de inschrijving van betrokkene voor het schooljaar 2010-2011 bij de onderwijsinstelling gecontroleerd. Op de schoollijst van het ROC waar betrokkene onderwijs volgde is bij de opmerkingen vermeld dat betrokkene deeltijdonderwijs volgt (minder dan 850 klokuren per jaar).

1.5. Bij besluiten van 31 maart 2011 is vervolgens aan betrokkene meegedeeld dat uit de inschrijvingscontrole is gebleken dat zij geen recht heeft op een tegemoetkoming over de periode augustus 2010 tot en met juni 2011.

1.6. Betrokkene heeft tegen de besluiten van 31 maart 2011 bezwaar gemaakt. De Minister heeft deze bezwaren bij besluit van 6 juli 2011 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de Minister opgedragen opnieuw op de bezwaren te beslissen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de schoolverklaringen waarop de Minister de herziening van de toekenning over het schooljaar 2010-2011 heeft gebaseerd onvoldoende duidelijkheid geven over de vraag of betrokkene deeltijdonderwijs heeft gevolgd.

3.1.

De Minister heeft in hoger beroep aangevoerd dat uit het registratiesysteem en de verklaringen van de onderwijsinstelling kan worden afgeleid dat betrokkene deeltijdonderwijs heeft gevolgd.

3.2.

Betrokkene heeft in hoger beroep aangevoerd dat de vele besluiten waarbij haar een tegemoetkoming is verstrekt bij haar het vertrouwen hebben gewekt dat ze recht had op die tegemoetkoming. Voorts heeft ze zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank er ten onrechte van uitgaat dat ze aan haar betoog in beroep een eigen berekening ten grondslag heeft gelegd. Tot slot heeft ze aangevoerd dat uit de schoolverklaring van 6 september 2010 wel degelijk het aantal klokuren blijkt.

4.

De Raad oordeelt als volgt.

4.1.1. Artikel 2.17 van de WTOS regelt de aanspraak op een tegemoetkoming op basis van de hoofdstukken 3 en 4 van de WTOS. Het artikel luidt:

“Een leerling die onderwijs volgt als bedoeld in de artikelen 2.5, 2.6, 2.9, onderdelen b en c, en 2.10 heeft slechts aanspraak op tegemoetkoming indien de opleiding een studielast heeft van ten minste 850 klokuren per schooljaar die worden besteed aan het volgen van lessen of stages.”

4.1.2. In artikel 7.1, eerste lid, in verbinding met artikel 7.1, tweede lid, aanhef en onder c, van de WTOS is bepaald dat de Minister een beschikking waarbij te veel of te weinig tegemoetkoming is toegekend op basis van onjuiste of onjuist verwerkte gegevens kan herzien.

4.2.1. De Minister is in het geval van betrokkene tot herziening van de toekenning overgegaan omdat uit een controle bleek dat betrokkene was ingeschreven voor deeltijdonderwijs en dat zij - dus - minder dan 850 klokuren onderwijs volgde. De gegevens waarop de Minister zijn beslissing heeft gebaseerd zijn vastgelegd in een digitaal registratiesysteem dat door hem wordt beheerd, en dat door onderwijsinstellingen wordt gevuld. Het is vaste rechtspraak dat de Minister bij zijn besluitvorming in beginsel op die gegevens mag afgaan. Problemen rond de inschrijving van de studerende en/of de kwalificatie van het aangeboden en/of gevolgde onderwijs moeten bij de onderwijsinstelling worden aangekaart (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 12 februari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:527). Slechts als van de school afkomstige informatie niet strookt met informatie die de Minister uit het registratiesysteem heeft betrokken, of wanneer de van de school afkomstige informatie onduidelijk of onvolledig is, kan er voor de Minister aanleiding bestaan nader onderzoek te doen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 31 juli 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1260).

4.2.2. Voor nader onderzoek behoefde de Minister in het onderhavige geval geen aanleiding te zien. In het door de Minister geraadpleegde systeem is het onderwijs waarvoor betrokkene was ingeschreven in 2010-2011 gekwalificeerd als deeltijdonderwijs. De onderwijsinstelling heeft verschillende verklaringen afgegeven over het door betrokkene gevolgde onderwijs. Deze verklaringen zijn tijdens de procedure overgelegd. De mogelijk verwarring oproepende verklaring van 6 september 2010 heeft betrekking op een ander schooljaar dan in deze procedure aan de orde, zodat daaraan in dit verband geen betekenis toekomt. Uit de schoollijst van 4 maart 2011 en de ongedateerde schoolverklaring waarin wordt gesproken van 145,5 contacturen per jaar, komt - mede gelet op de toelichting die de Minister daarbij in beroep heeft gegeven - naar voren dat betrokkene in de periode in geding niet voor een voltijdopleiding was ingeschreven. Betrokkene is door de Minister herhaald in de gelegenheid gesteld om (nadere) verklaringen van de school in te zenden, maar zij heeft volstaan met verwijzing naar de hiervoor genoemde verklaringen en schoollijst.

5.1.

Wat namens betrokkene in hoger beroep is aangevoerd leidt niet tot het door haar gewenste resultaat.

5.2.

Anders dan betrokkene meent, kan uit geen van de schoolverklaringen die zich bij de gedingstukken bevinden worden afgeleid dat de informatie waarop de Minister zijn besluit tot herziening heeft gebaseerd onjuist was. Uit de ongedateerde verklaring die de Minister op

18 september 2012 heeft ingezonden blijkt dat het onderwijsprogramma voor betrokkene in het schooljaar 2010-2011 twee vakken heeft omvat met een totaal aantal contacturen van 145,5. Niet gebleken is dat betrokkene voor meer vakken onderwijs heeft gevolgd, of dat er nog sprake was van andere activiteiten dan deze contacturen die bij de berekening van het aantal klokuren onderwijs zouden moeten worden betrokken (vgl. Tweede Kamer, vergaderjaar 2006-2007, 31 048, nr. 3, blz. 6). Met het voor betrokkene geldende programma is de norm van 850 uren niet gehaald.

5.3.

Dat er met betrekking tot de periode hier in geding enkele malen beslissingen tot toekenning zijn genomen en/of herhaald, betekent niet dat de Minister niet tot herziening zou mogen overgaan. De Minister hanteert bij herzieningen die worden gebaseerd op de onder 4.1.2 genoemde grondslag het beleid dat er altijd wordt herzien, tenzij er meerdere keren dezelfde fout is gemaakt bij het verwerken van gegevens. De Raad heeft al vaker geoordeeld (bijvoorbeeld in zijn uitspraak van 21 juli 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AY5167) dat dit beleid niet onredelijk is. Over de hier in geding zijnde periode is geen sprake van een situatie als bedoeld in dit beleid. Immers, na de eerste toekenning is er niet nogmaals toegekend op basis van dezelfde gegevens die daarbij (opnieuw) onjuist zijn verwerkt. Overigens heeft de Minister na de eerste herziening bij besluit van 31 maart 2011 zijn standpunt gehandhaafd dat er geen recht bestond op de tegemoetkoming. Het feit dat de herziening over het schooljaar 2009-2010 door de Minister niet is gehandhaafd, omdat dat jaar is aangemerkt als examenjaar, waardoor een norm van 650 klokuren geldt, betekent niet dat daartoe ook met betrekking tot het schooljaar 2010-2011 gehoudenheid bestond.

5.4.

Indien betrokkene feitelijk een andere opleiding heeft gevolgd dan waarvoor zij door de onderwijsinstelling was ingeschreven, kan zij zich bij die instelling vervoegen om de registratie van haar opleiding te laten aanpassen. Indien betrokkene meent dat de opleiding die zij feitelijk heeft gevolgd door de onderwijsinstelling onjuist is gekwalificeerd dient zij zich eveneens met de onderwijsinstelling te verstaan.

5.5.

Wat is overwogen in 4.1 tot en met 5.4 betekent dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep tegen het besluit van 6 juli 2011 ongegrond verklaren.

6.

Nu alleen het hoger beroep van de Minister slaagt en de aangevallen uitspraak wordt vernietigd bestaat er voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij als voorzitter en I.M.J. Hilhorst-Hagen en

G. van Zeben-de Vries als leden, in tegenwoordigheid van J.C. Hoogendoorn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 april 2014.

(getekend) H.J. de Mooij

(getekend) J.C. Hoogendoorn

QH