Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1369

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-04-2014
Datum publicatie
28-04-2014
Zaaknummer
12-3641 WMO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om in aanmerking te komen voor opvang op grond van de Wmo. De Raad stelt vast dat uit de door appellante overgelegde medische informatie in onvoldoende mate naar voren komt dat de fysieke en psychische toestand van appellante substantieel zou worden bedreigd indien zij verstoken zou blijven van opvang. Uit deze verklaringen kan weliswaar worden afgeleid dat bij appellante sprake was van een paniekstoornis met agorafobie en een depressieve stoornis, maar daarmee is niet gegeven dat appellante gelet op haar gezondheidstoestand ten tijde van belang behoorde tot de categorie van kwetsbare personen die gezien artikel 8 van het EVRM in het bijzonder recht hebben op bescherming van hun gezin- of privéleven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2014/147

Uitspraak

12/3641 WMO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

22 mei 2012, 11/1790 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.H. Kruseman, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 maart 2014. De zaak is gevoegd behandeld met de zaken 13/3792 WWB en 13/3793 WWB. Voor appellante zijn verschenen mr. J.H. Kruseman en prof. mr. C.J. Forder. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. J.M. Boegborn.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante heeft de Bulgaarse nationaliteit en is daarmee burger van de Europese Unie. Appellante heeft geen vaste woon- of verblijfplaats.

1.2.

Op 24 augustus 2010 heeft appellante een aanvraag ingediend om in aanmerking te komen voor opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Daarbij is naar voren gebracht dat appellante niet langer kan verblijven op haar logeeradres. Bij besluit van 1 november 2010 heeft het college de aanvraag van 24 augustus 2010 afgewezen. Daarbij is in aanmerking genomen dat appellante niet voldoet aan de toegangscriteria voor opvang, met name het OGGZ-criterium. Er is geen beroep gedaan op crisisopvang, zodat het college heeft geconcludeerd dat appellante er in is geslaagd zelf in onderdak te voorzien.

1.3.

Bij besluit van 24 februari 2011 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 1 november 2010 ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij is van belang geacht dat appellante in de beoordelingsperiode van 24 augustus 2010 tot en met 24 februari 2011 de beschikking heeft gehad over onderdak. Reeds om die reden kan niet worden aangenomen dat de weigering van toelating tot de maatschappelijke opvang van appellante geen blijk geeft van een ‘fair balance’ tussen de publieke belangen die betrokken zijn bij de weigering van die toegang en de particuliere belangen van appellant om wel toegelaten te worden.

3.

Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. In hoger beroep heeft appellante benadrukt dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan de brief van 3 april 2012 en de daarbij gevoegde verklaringen van de (medisch) deskundigen. Verbetering van de gezondheid van appellante is zonder stabiele leefomgeving niet te verwachten.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In hoger beroep is tussen partijen in geschil de vraag of het college ten tijde in geding, te weten de periode vanaf de aanvraag om opvang tot de datum van het bestreden besluit, appellante had moeten toelaten tot de maatschappelijke opvang gelet op het bepaalde in artikel 8 van het Europees Verdrag van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

4.2.

De Raad beantwoordt de in rechtsoverweging 4.1 geformuleerde vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt. Met betrekking tot het beroep op artikel 8 van het EVRM stelt de Raad voorop dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) als the ‘very essence’ van het EVRM aanmerkt, respect voor menselijke waardigheid en menselijke vrijheid. Het in artikel 8 van het EVRM besloten liggende recht op respect voor het privéleven van een persoon omvat mede de fysieke en psychische integriteit van die persoon en is er primair op gericht, zonder inmenging van buitenaf, de ontwikkeling van de persoonlijkheid van elke persoon in zijn betrekkingen tot anderen te waarborgen. Het artikel beoogt niet alleen de staten tot onthouding van inmenging te dwingen, maar kan onder omstandigheden ook inherente positieve verplichtingen meebrengen die noodzakelijk zijn voor een effectieve waarborg van het recht op privéleven. Daarbij hebben kinderen en andere kwetsbare personen in het bijzonder recht op bescherming. Het EHRM heeft meerdere malen geoordeeld dat artikel 8 van het EVRM ook relevant is in zaken die betrekking hebben op de besteding van publieke middelen. Daarbij is wel van belang dat in een dergelijk geval aan de Staat een extra ruime ‘margin of appreciation’ toekomt, terwijl het EHRM bij de bepaling van de bescherming die betrokkenen genieten onder het EVRM belang toekent aan de al dan niet legale status van het verblijf van betrokkene. De Raad wijst in verband met dit laatste onder meer op het arrest van het EHRM van 27 mei 2008, in de zaak N. vs het Verenigd Koninkrijk, nr. 26565/05 (EHRC 2008, 91).

4.3.

De Raad stelt vast dat uit de door appellante overgelegde medische informatie, waaronder het rapport van psycholoog/systeemtherapeut M. Koleva van I-psy van 13 juli 2011 en het rapport van psychiater P. Scholte van Equator Behandelprogramma van 21 november 2012, in onvoldoende mate naar voren komt dat de fysieke en psychische toestand van appellante substantieel zou worden bedreigd indien zij verstoken zou blijven van opvang. Uit deze verklaringen kan weliswaar worden afgeleid dat bij appellante sprake was van een paniekstoornis met agorafobie en een depressieve stoornis, maar daarmee is niet gegeven dat appellante gelet op haar gezondheidstoestand ten tijde van belang behoorde tot de categorie van kwetsbare personen die gezien artikel 8 van het EVRM in het bijzonder recht hebben op bescherming van hun gezin- of privéleven. Bovendien is tussen partijen niet in geschil dat appellante ten tijde in dit geding van belang feitelijk is opgevangen op een logeeradres. Onder deze omstandigheden kan niet in redelijkheid worden volgehouden dat de weigering van toelating tot maatschappelijke opvang geen blijk geeft van een ‘fair balance’ tussen de publieke belangen die betrokken zijn bij de weigering van die toegang en de particuliere belangen van appellante om wel toegelaten te worden.

4.4.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.

Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en W.H. Bel en D.S. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 april 2014.

(getekend) R.M. van Male

(getekend) G.J. van Gendt

QH