Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1364

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-04-2014
Datum publicatie
25-04-2014
Zaaknummer
12-6852 WMO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering pgb. De Raad stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting vast dat in het besluit van 6 december 2007, waarin het college aan betrokkene een pgb voor hulp bij het huishouden heeft toegekend, geen vergoeding is voorzien voor loondoorbetaling bij ziekte. Aan de betalingen die de Svb namens het college heeft gedaan voor loondoorbetaling bij ziekte, liggen evenmin besluiten van het college ten grondslag waarin deze vergoedingen worden toegekend. Dit betekent dat, nu de vergoedingen voor loondoorbetaling bij ziekte niet bij een op grond van de Verordening door het college genomen besluit zijn toegekend, er geen besluiten zijn die op grond van het bepaalde in artikel 35, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening kunnen worden ingetrokken. Daarmee is tevens gegeven dat de grondslag voor terugvordering van de vergoedingen voor loondoorbetaling bij ziekte ontbreekt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2014/127
JWWB 2014/149

Uitspraak

12/6852, 12/6877 WMO

Datum uitspraak: 23 april 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van

21 november 2012, 12/1915 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

het college van burgemeester en wethouders van Asten (college)

PROCESVERLOOP

Beide partijen hebben hoger beroep ingesteld.

Beide partijen hebben een verweerschrift ingediend.

Het college heeft een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 maart 2014. Betrokkene is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.T. Ceelen.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Bij besluit van 6 december 2007 heeft het college aan betrokkene op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) voor de periode van 1 januari 2008 tot en met

31 december 2010 een persoonsgebonden budget (pgb) voor hulp bij het huishouden toegekend. De omvang van de toegekende hulp is vijf uur per week en de hoogte van het pgb bedraagt € 74,50 per week.

1.2.

Bij besluit van 23 september 2009 heeft het college het in 2008 aan betrokkene betaalde pgb tot een bedrag van € 3.874,- teruggevorderd. Verder heeft het college beslist het door de Sociale verzekeringsbank (Svb) in 2008 aan betrokkene betaalde bedrag aan vergoeding voor loondoorbetaling bij ziekte tot een bedrag van € 22.946,- terug te vorderen. Tot slot heeft het college beslist de toekenning van hulp bij het huishouden in de vorm van een pgb om te zetten naar toekenning in de vorm van zorg in natura.

1.3.

Bij besluit van 25 mei 2012 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellant ongegrond verklaard met verbetering van de grondslag. Het in 2008 verstrekte pgb wordt ingevolge artikel 35, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Asten 2007 (Verordening) geheel ingetrokken. Tevens wordt de in 2008 betaalde vergoeding van loondoorbetaling bij ziekte ingetrokken. Het bedrag van het teruggevorderde pgb wordt met het verantwoordingsvrije bedrag verlaagd tot € 3.624,-. Het college stelt zich op het standpunt dat uit onderzoek van de sociale recherche, neergelegd in een rapport van 23 maart 2011, is gebleken dat betrokkene meerdere zorgovereenkomsten valselijk heeft opgemaakt, dat meerdere zorgverleners niet tegen betaling hulp bij het huishouden hebben verleend en dat zij evenmin van betrokkene loon bij ziekte hebben ontvangen. Betrokkene heeft niet alle opgevraagde stukken overgelegd en de wel overgelegde stukken bevatten tegenstrijdigheden. Betrokkene heeft dan ook niet voldaan aan de verplichting om de besteding van het pgb te verantwoorden.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard voor zover dit is gericht tegen de herziening (lees: intrekking) en terugvordering van de loondoorbetaling bij ziekte door de Svb, het bestreden besluit in zoverre vernietigd, het besluit van

23 september 2009 in zoverre herroepen en het beroep voor het overige ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank, samengevat, overwogen dat een publiekrechtelijke grondslag voor de toekenning van een vergoeding voor loondoorbetaling bij ziekte ontbreekt, zodat ook een publiekrechtelijke grondslag voor de intrekking en de terugvordering daarvan ontbreekt. Verder heeft de rechtbank overwogen dat, gelet op het rapport van de sociale recherche van 23 maart 2011, geen van de door betrokkene overgelegde zorgovereenkomsten als verantwoording voor geleverde hulp bij het huishouden in 2008 kan worden aangemerkt. Het college heeft dan ook in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot intrekking en terugvordering van het toegekende pgb ten bedrage van € 3.624,- gebruik kunnen maken.

3.

Betrokkene heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover deze ziet op de intrekking en terugvordering van het pgb. Het college heeft hoger beroep ingesteld tegen het oordeel van de rechtbank dat een publiekrechtelijke grondslag ontbreekt voor de intrekking en de terugvordering van de vergoeding voor loondoorbetaling bij ziekte.

4.

De Raad overweegt als volgt.

Hoger beroep van betrokkene

4.1.

Betrokkene voert aan dat hij het aan hem toegekende pgb in voldoende mate heeft verantwoord, mede gelet op wat hij na het besluit van 23 september 2009 nader heeft verantwoord. Het onderzoek door de sociale recherche, doet niet af aan de volledigheid en juistheid van die verantwoording.

4.1.1.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit het onderzoek door de sociale recherche is gebleken dat de door betrokkene in het kader van de verantwoording van het pgb overgelegde zorgovereenkomsten ondeugdelijk zijn. In verband hiermee is betrokkene bij arrest van

11 juli 2013 van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch strafrechtelijk veroordeeld voor het meermalen plegen van valsheid in geschrifte in de periode van 6 oktober 2006 tot en met

13 november 2009. Verder blijkt uit het onderzoek van de sociale recherche dat de personen die de zorg zouden hebben verleend, deze niet volgens de opgave hebben verleend. De Raad verenigt zich met rechtsoverweging 7 van de aangevallen uitspraak.

4.2.

Evenals de rechtbank ziet de Raad geen aanleiding om getuigen op te roepen die de sociale recherche in zijn onderzoek heeft gehoord. Daarbij wordt meegewogen dat deze getuigen, zoals betrokkene stelt, niet zozeer willen terugkomen op hun eerdere verklaring, maar deze willen uitleggen en aanvullen. Dat bij het horen sprake zou zijn geweest van ongeoorloofde druk op de getuigen, heeft betrokkene niet aannemelijk gemaakt.

4.3.

Betrokkene voert aan dat het college niet heeft gemotiveerd waarom het tot gehele terugvordering heeft besloten en niet tot gedeeltelijke terugvordering.

4.3.1.

In artikel 35, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening, voor zover van belang, is bepaald dat het college een besluit geheel of gedeeltelijk kan intrekken, indien niet is voldaan aan de voorwaarden gesteld bij of krachtens deze verordening. In artikel 36, eerste lid, van de Verordening kan ingeval een voorziening is ingetrokken op basis daarvan reeds uitbetaalde financiële tegemoetkoming of persoonsgebonden budget worden teruggevorderd. In de Beleidsregels individuele verstrekkingen maatschappelijke ondersteuning gemeente Asten is onder 1.1.1 opgenomen dat bij de vraag of het pgb geheel of gedeeltelijk wordt teruggevorderd, leidend is of er opzet in het spel was dan wel sprake was van onwetendheid. Bij opzet is het uitganspunt dat er geheel wordt teruggevorderd. Dit gebeurt vanuit het oogpunt dat misbruik altijd moet worden tegengegaan. In het licht van dit beleid is de Raad van oordeel dat het college in redelijkheid heeft besloten om het pgb geheel terug te vorderen. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.

4.4.

Voor toepassing van de hardheidsclausule, zoals betrokkene aanvoert, ziet de Raad geen aanleiding.

4.5.

Betrokkene voert tot slot aan dat de rechtbank het college ten onrechte niet heeft veroordeeld in de kosten van bezwaar. Ingevolge artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht worden de kosten in bezwaar vergoed op verzoek van de belanghebbende. Van een dergelijk verzoek is niet gebleken. Deze beroepsgrond slaagt daarom evenmin.

4.6.

Uit wat hiervoor is overwogen, volgt dat het hoger beroep van betrokkene niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover door betrokkene aangevochten, moet worden bevestigd.

Hoger beroep college

4.7.

Het college voert, samengevat, aan dat de pgb-houder moet kunnen voldoen aan zijn wettelijke verplichtingen, waaronder de verplichting tot loondoorbetaling bij ziekte. Nu de hoogte van het pgb is bepaald aan de hand van de voorziening in natura, die daar in voorziet, moet de loondoorbetaling bij ziekte worden aangemerkt als aanvullend pgb. Bovendien bepaalt artikel 6 van de Wmo dat het pgb met het ontvangen van een voorziening in natura vergelijkbaar en toereikend moet zijn.

4.8.

De gemachtigde van het college heeft ter zitting toegelicht dat het college met de Svb een overeenkomst heeft gesloten, op grond waarvan de Svb in opdracht van en namens het college vergoedingen voor loondoorbetaling bij ziekte aan de pgb-houder betaalt. Deze betalingen declareert de Svb bij het college. Aan de betaling door de Svb aan de budgethouder ligt geen besluit ten grondslag waarin wordt vermeld dat de betaling namens het college worden verricht.

4.9.

De Raad stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting vast dat in het besluit van 6 december 2007, waarin het college aan betrokkene een pgb voor hulp bij het huishouden heeft toegekend, geen vergoeding is voorzien voor loondoorbetaling bij ziekte. Aan de betalingen die de Svb namens het college heeft gedaan voor loondoorbetaling bij ziekte, liggen evenmin besluiten van het college ten grondslag waarin deze vergoedingen worden toegekend. Dit betekent dat, nu de vergoedingen voor loondoorbetaling bij ziekte niet bij een op grond van de Verordening door het college genomen besluit zijn toegekend, er geen besluiten zijn die op grond van het bepaalde in artikel 35, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening kunnen worden ingetrokken. Daarmee is tevens gegeven dat de grondslag voor terugvordering van de vergoedingen voor loondoorbetaling bij ziekte ontbreekt.

4.10.

Uit wat in 4.9 is overwogen volgt dat het hoger beroep van het college niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover door het college aangevochten, moet worden bevestigd.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- bepaalt dat van het college een griffierecht van € 466,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en W.H. Bel en D.S. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 april 2014.

(getekend) R.M. van Male

(getekend) G.J. van Gendt

QH