Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1362

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-04-2014
Datum publicatie
24-04-2014
Zaaknummer
12-4543 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering terug te komen van vaststelling dagloon. 1) Periode voorafgaande aan de aanvraag. Geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. 2) Tijdvak na de nieuwe aanvraag. Dervingsbeginsel. Voor de bepaling van die derving is terecht uitgaan van een referteperiode van een jaar voor de uitval wegens ziekte. Het Uwv kon bij een zorgvuldige en evenwichtige belangenafweging tot de bestreden afwijzing komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/4543 WAO

Datum uitspraak: 23 april 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 5 juli 2012, 11/1433 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S. Broens, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en vragen van de Raad beantwoord.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 maart 2014. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. M. Vaessen, kantoorgenoot van mr. Broens. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J.G. Lindeman.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is op 1 april 1992 in dienst getreden van Ziekenhuis [naam ziekenhuis] als verpleegkundige. Volgens haar contract was zij werkzaam als variabele part-timer in een omvang van 10 tot 40% en was de arbeidsduur gemiddeld vier uur per week. Als bijzonderheid was in haar contract opgenomen dat zij bereid was, na overleg, meerdere uren per maand te werken tot een maximum van gemiddeld zestien uren per week, te meten per kwartaal.

1.2. Appellante heeft vanaf de aanvang van haar werkzaamheden gemiddeld meer dan vier uur per week gewerkt. Zij deed, naast haar werkzaamheden als verpleegkundige, werkzaamheden voor de ziekenhuisapotheek. Op 1 augustus 1995 heeft appellante haar werkzaamheden voor de ziekenhuisapotheek beëindigd. Zij is toen gemiddeld minder uren gaan werken.

1.3. Op 26 april 1996 is appellante door schildklierklachten uitgevallen voor haar werkzaamheden. Bij besluit van 19 februari 1997 is appellante met ingang van 24 februari 1997 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Het dagloon is daarbij vastgesteld op fl. 57,55. Appellante heeft het besluit van 19 februari 1997 niet in rechte aangevochten.

2.

Op 21 juli 2006 heeft appellante verzocht om het dagloon te herzien. Bij besluit van

22 december 2010 heeft het Uwv het verzoek afgewezen. Het Uwv heeft overwogen dat de aanwezige gegevens geen aanleiding geven te concluderen dat de gedane vaststelling in het verleden onjuist zou zijn. Daarnaast heeft appellante volgens het Uwv geen nieuwe feiten of omstandigheden aangeleverd die er toe zouden leiden dat de genomen beslissing onjuist zou zijn. Het Uwv heeft dan ook besloten niet terug te komen van het besluit van 19 februari 1997.

3.

Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 22 december 2010. Bij besluit van 28 april 2011 is dat bezwaar ongegrond verklaard.

3.1.

Het Uwv heeft toegelicht dat het dagloon is vastgesteld op basis van het vaste loon van appellante van 10% plus de meeruren. Daarbij heeft het Uwv er op gewezen dat naar aanleiding van de loongegevens destijds nader onderzoek is verricht bij de werkgever. In verband met gerezen twijfel is destijds ook de werkgever bezocht. Omdat het Uwv er vanuit ging dat de werkgever op dat moment beschikte over de meest actuele contract- en loongegevens, is het Uwv er vanuit gegaan dat de werkgever de juiste loongegevens ter beschikking heeft gesteld. De berekening is gebaseerd op de loongegevens vanaf 1 augustus 1995, omdat het werk dat appellante heeft verricht vanaf 1 augustus 1995 tot de datum van uitval, 26 februari 1996, naar inhoud en omvang ook het werk zou zijn geweest dat appellante zou hebben verricht als zij niet ziek zou zijn geworden. Naar de mening van het Uwv doet het dagloon volledig recht aan het toen geldende dervingsbeginsel.

3.2.

Ten aanzien van de periode vóór de datum van het verzoek van 21 juli 2006 is het Uwv van mening dat geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden op basis waarvan het Uwv kan terugkomen van het besluit van 19 februari 1997.

4.1.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank dat beroep ongegrond verklaard. Onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Raad heeft de rechtbank beoordeeld of appellante feiten en omstandigheden naar voren heeft gebracht op grond waarvan het Uwv gehouden was om het verzoek van appellante om herziening van het dagloon per de ingangsdatum van de

WAO-uitkering te honoreren.

4.2.

Ten aanzien van het WAO-dagloon voor de periode na 21 juli 2006 heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv terecht toepassing heeft gegeven aan het in artikel 14, eerste lid, van de WAO neergelegde dervingsbeginsel, omdat een berekening van het dagloon op basis van de inkomsten in het refertejaar in dit geval niet strookt met het wettelijk uitgangspunt. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat appellante per 1 augustus 1995 in verband met haar gezondheid en op aanraden van haar internist, tot haar uitval circa vier uur per week is gaan werken. Van een zodanige verandering in het arbeidspatroon, dat niet op een tijdelijke basis is gebaseerd, is de consequentie dat bij een nadien ingetreden arbeidsongeschiktheid het dagloon op dat nieuwe arbeidspatroon wordt afgestemd.

5.

Appellante heeft in hoger beroep gesteld dat zij wel voldoende nieuwe feiten en omstandigheden heeft vermeld op basis waarvan herziening van het besluit van 19 februari 1997 aan de orde is. Wat betreft de periode na 21 juli 2006 heeft de rechtbank volgens appellante ten onrechte geoordeeld dat het besluit van 20 april 1967, Stcrt. 1967, 126 (Dagloonregelen WAO) niet van toepassing is. Naar de mening van appellante dient haar dagloon gebaseerd te worden op de inkomsten uit de periode van één jaar voorafgaand aan haar arbeidsongeschiktheid.

6.

Gelet op hetgeen appellante heeft aangevoerd staat in hoger beroep uitsluitend de hoogte van het dagloon ten discussie. Daarover komt de Raad tot de volgende beoordeling.

6.1.1. Op grond van artikel 14, eerste lid, van de WAO, zoals dat ten tijde hier van belang gold, wordt voor de berekening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, waarop ingevolge die wet aanspraak bestaat, als dagloon beschouwd: hetgeen de uitkeringsgerechtigde, ware hij niet arbeidsongeschikt, indien hij werkzaam was in het beroep dat hij gewoonlijk uitoefende, gerekend naar het loonpeil op de dag van ingang van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, gedurende het daaropvolgende jaar bij een vijfdaagse werkweek gemiddeld per dag zou kunnen verdienen.

6.1.2. In artikel 3 van de Dagloonregelen WAO, zoals dat ten tijde hier van belang gold, is bepaald dat voor de vaststelling van het dagloon wordt berekend het loon, dat de uitkeringsgerechtigde in het jaar, aan het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid onmiddellijk voorafgaande, in zijn beroep gemiddeld heeft genoten over in dat jaar gelegen dagen, waarop hij gedurende ten minste de voor hem normale werktijd in dat beroep werkzaam was.

6.2.

Een bestuursorgaan is bevoegd om, na een eerdere afwijzing, een verzoek om terug te komen van een eerder genomen besluit inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Indien na een eerder afwijzend besluit een besluit van dezelfde strekking wordt genomen, kan door het instellen van beroep tegen dat laatste besluit in beginsel niet worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst als ware het een eerste afwijzing. Bij een doorlopende (periodieke) aanspraak als hier aan de orde, moet voor de toetsing een splitsing worden aangebracht. Wat betreft de periode voorafgaande aan de aanvraag, dient de bestuursrechter zich te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien. Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of veranderde omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd. Feiten of omstandigheden waarvan zonder meer duidelijk is dat ze geen rol kunnen spelen bij het besluit worden niet als nieuwe feiten of veranderde omstandigheden beschouwd. Voor de periode na de aanvraag moet het bestuursorgaan een belangenafweging maken en moet bij de bestuursrechter een minder terughoudende toets plaatsvinden. Het is met een evenwichtige en zorgvuldige belangenafweging niet verenigbaar dat een besluit waarbij ten onrechte geen of een te lage aanspraak is toegekend, in zulke gevallen blijvend aan de aanvrager wordt tegengeworpen.

6.3.

Appellante heeft ter ondersteuning van haar verzoek geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden aangevoerd. De stukken die zij ter onderbouwing van haar standpunt heeft ingebracht zijn, zoals zij zelf heeft aangevoerd, afkomstig uit het dossier dat reeds bij het Uwv aanwezig was. Voor inhoudelijke toetsing van het besluit van 28 april 2011, voor zover dat de periode voorafgaand aan het verzoek betreft, is geen plaats. In wat appellante heeft aangevoerd zijn geen zeer bijzondere omstandigheden gelegen die dit in het onderhavige geval anders maken.

6.4.

In artikel 14, eerste lid, van de WAO is het zogenoemde dervingsbeginsel neergelegd. Aan artikel 14 is een nadere uitwerking gegeven in de Dagloonregelen WAO die voor de bepaling van die derving uitgaan van een referteperiode van een jaar voor de uitval wegens ziekte. In dit geval heeft appellante vanaf 1 augustus 1995 gewerkt in een omvang die overeenkwam met de afspraken die waren neergelegd in arbeidsovereenkomst van 1 april 1992. Uitgangspunt in dat contract is een werkweek van vier uur, waarbij appellante per week ook meeruren kon maken. Vóór 1 augustus 1995 werkte appellante meer, onder meer vanwege haar tijdelijke inzet in de ziekenhuisapotheek, maar met ingang van 1 augustus 1995 veranderde dat, onder meer op advies van haar internist en in verband met haar schildklierproblematiek. Voor een representatief beeld van de inkomsten - en daarmee ook de derving daarvan - moet daarom de periode vanaf 1 augustus 1995 worden bezien. Het Uwv heeft dan ook een juiste toepassing gegeven aan artikel 14, eerste lid, van de WAO.

6.5.

Wat betreft het tijdvak na de nieuwe aanvraag kon het Uwv daarom bij een zorgvuldige en evenwichtige belangenafweging tot de bestreden afwijzing komen. De rechtbank heeft het besluit van 28 april 2011 op juiste wijze getoetst en dit besluit terecht in stand gelaten. De aangevallen uitspraak komt daarom, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking.

7.

Omdat het hoger beroep niet slaagt volgt uit artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht dat veroordeling tot vergoeding van schade niet mogelijk is, zodat dit verzoek wordt afgewezen.

8.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en H.G. Rottier en

M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 april 2014.

(getekend) G.A.J. van den Hurk

(getekend) Z. Karekezi

RB