Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1354

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-04-2014
Datum publicatie
24-04-2014
Zaaknummer
12-5277 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering. Zorgvuldig medisch onderzoek. Geen aanleiding de bevindingen van de (bezwaar)verzekeringsarts voor onjuist te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/5277 ZW

Datum uitspraak: 23 april 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van

13 september 2012, 12/741 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E. Schriemer, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken overgelegd.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend .

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 maart 2014. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Schriemer. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M.W.A. Blind.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante was van 5 maart 2008 tot 1 april 2009 werkzaam als schoonmaakster gedurende 20-30 uur per week. Op 21 juli 2010 heeft zij zich, vanuit de situatie dat zij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontving, ziek gemeld in verband met psychische klachten en daarnaast pijnklachten aan armen en benen. Appellante is een aantal keer op het spreekuur van de verzekeringsarts geweest, laatstelijk op 4 november 2011. De verzekeringsarts heeft haar, naar aanleiding van zijn bevindingen uit dossierstudie en eigen onderzoek, met ingang van 7 november 2011 arbeidsgeschikt verklaard voor haar maatgevende arbeid. Dienovereenkomstig heeft het Uwv bij besluit van 4 november 2011 vastgesteld dat appellante met ingang van 7 november 2011 geen recht meer heeft op ziekengeld.

1.2. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv, in navolging van de bevindingen van een bezwaarverzekeringsarts, neergelegd in het rapport van 27 februari 2012, bij besluit van 2 maart 2012 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij geoordeeld dat zij geen aanleiding ziet de bevindingen van de (bezwaar)verzekeringsarts voor onjuist te houden. Zij is van oordeel dat sprake is geweest van een voldoende diepgaand en zorgvuldig onderzoek. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat de (bezwaar)verzekeringsarts appellante op het spreekuur heeft gezien, kennis heeft genomen van het dossier, aanwezig is geweest op de hoorzitting en de brief van de huisarts van appellante van 16 februari 2012 bij zijn beoordeling heeft betrokken. De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat de uit het medisch onderzoek getrokken conclusies voldoende zijn onderbouwd. De bezwaarverzekeringsarts heeft zijn opvatting, dat weliswaar sprake is van een depressie waardoor het aannemelijk is dat appellante een licht verlies aan mentale energie en flexibiliteit ondervindt, maar dat dit niet zodanig is dat zij ongeschikt te achten is voor haar arbeid als schoonmaakster, naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd. De rechtbank heeft in de in beroep overgelegde medische informatie geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de juistheid van het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts, zoals verwoord in het rapport van 9 juli 2012. Hierin heeft de bezwaarverzekeringsarts uiteengezet dat in de overgelegde gegevens geen aanleiding wordt gezien om het eerder ingenomen standpunt te wijzigen. Ten aanzien van de vraag of werkelijk sprake is geweest van een opleving van de psychische belastbaarheid is de medische informatie naar het oordeel van de rechtbank niet eenduidig. De huisarts onderschrijft niet dat sprake is van een opleving, noch dat sprake zou zijn van een verslechtering van de psychische belastbaarheid. Gelet op het feit dat de verzekeringsarts appellante voorafgaand aan het (eerdere) spreekuurcontact op 27 mei 2011 meerdere keren heeft gezien, heeft de rechtbank de conclusie dat sprake is van een verbetering van de psychische belastbaarheid en dat sindsdien geen sprake is van een wijziging ten opzichte van de datum van de hersteldmelding, voldoende geacht. Daarom heeft de rechtbank geen aanleiding gezien het advies van een medisch deskundige in te winnen.

3.

In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte het standpunt van het Uwv, dat er duidelijk een verbetering in de psychische belastbaarheid is opgetreden, heeft onderschreven. De juistheid van dit standpunt wordt, zo stelt appellante, niet gestaafd door de medische informatie van de behandelend sector. Appellante heeft voorts aangevoerd dat zij regelmatig vanwege psychische klachten voor haar arbeid als schoonmaakster is uitgevallen. Tot slot heeft appellante aangevoerd dat het Uwv niet afdoende heeft gereageerd op informatie van de behandelend sector.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge het bepaalde in artikel 19, eerste, en vierde lid, van de Ziektewet heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. In dit geval is dat de functie van schoonmaakster voor 20-30 uur per week.

4.2.

Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd vormt geen aanleiding anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. Er is sprake geweest van een zorgvuldig verricht onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsartsen waarover op inzichtelijke wijze is gerapporteerd. Zowel de verzekeringsarts als de bezwaarverzekeringsarts heeft appellante lichamelijk onderzocht en een onderzoek van de psyche verricht. Voorts is rekening gehouden met informatie van huisarts G.H.M. van Loon van 16 februari 2012. De bezwaarverzekeringsarts heeft op basis hiervan vastgesteld dat het verdedigbaar is dat er bij appellante sprake is van geestelijke problematiek, zijnde een depressie, en dat het aannemelijk is dat er een licht verlies aan mentale energie en matig verlies aan flexibiliteit is. Dit uit zich, zo heeft de bezwaarverzekeringsarts aangenomen, onder meer in een verminderd vermogen tot verantwoordelijkheid dragen en minder geschiktheid voor voortdurende wijziging van de taak. De in hoger beroep overgelegde brief en journaal van de huisarts van 1 juni 2013, brengt de Raad niet tot een ander oordeel nu al bekend was dat appellante chronisch depressieve klachten had en dat daarmee rekening is gehouden in de beoordeling door de (bezwaar)verzekeringsarts. Uit de vermelding in het huisartsenjournaal dat appellante, na een korte onderbreking, haar door de psychiater voorgeschreven medicatie heeft hervat, kan niet worden geconcludeerd dat zij daarom op de datum in geding niet in staat kon worden geacht tot het verrichten van haar arbeid. Met betrekking tot de fibromyalgie en de spataderen heeft de bezwaarverzekeringsarts vastgesteld dat dit in het algemeen leidt tot beperkingen ten aanzien van langdurig in eenzelfde houding werken, zware fysieke belasting en lang staan. Nu deze aspecten niet in het maatmanwerk van appellante voorkomen laat de weging van de belastbaarheid versus de arbeidsbelastende factoren, zo stelt de bezwaarverzekeringsarts, zien dat er geen overschrijding is van de belastbaarheid van appellante. Uit de brief van de huisarts van 1 juni 2013 kan niet worden afgeleid dat de fibromyalgie en de varices ten tijde in geding tot meer beperkingen zouden moeten leiden dan door de (bezwaar)verzekeringsarts is aangenomen. De bevindingen en de conclusies van de bezwaarverzekeringsarts, zoals verwoord in zijn rapporten van 27 februari 2012 en 9 juli 2012 worden onderschreven.

5.

Gelet op hetgeen in 4.1 en 4.2 is overwogen slaagt het hoger beroep niet en dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

6.

Voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput, in tegenwoordigheid van M.P. Ketting als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 april 2014.

(getekend) J.J.T. van den Corput

(getekend) M.P. Ketting

CVG