Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1349

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-04-2014
Datum publicatie
24-04-2014
Zaaknummer
12-6016 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering. Zorgvuldig medisch onderzoek. Geen onderliggende oorzaak voor de gewrichtsklachten aan de vingers. Geen beperkingen aangenomen met betrekking tot de rugklachten, omdat appellant met die klachten zijn eigen arbeid heeft kunnen uitoefenen en uit beeldvormend onderzoek blijkt dat sprake is van lichte afwijkingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/6016 ZW

Datum uitspraak: 23 april 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

2 oktober 2012, 12/1795 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats](appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.S. Vlieger, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 12 maart 2014. Voor appellant is mr. Vlieger verschenen . Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.B. Heij.

OVERWEGINGEN

1.

Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als productiemedewerker voor 40 uur per week bij [naam werkgever]. Vanuit de situatie dat hij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontving, heeft hij zich op 13 december 2010 ziek gemeld vanwege toegenomen rug- en gewrichtsklachten. Naar aanleiding van het laatste spreekuurbezoek van 29 juli 2011 is een verzekeringsarts, op basis van anamnese en lichamelijk onderzoek, tot de conclusie gekomen dat er geen aanwijzingen zijn om beperkingen aan te nemen voor de eigen arbeid van appellant. Daarbij heeft de verzekeringsarts inlichtingen meegewogen van de huisarts en de behandelend neuroloog. Bij besluit van 29 juli 2011 is appellant met ingang van gelijke datum hersteld verklaard en is zijn uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) per die datum beëindigd. Appellant heeft daartegen bezwaar gemaakt. Bij besluit van 28 februari 2012 (bestreden besluit) is het bezwaar tegen het besluit van 29 juli 2011 ongegrond verklaard. Daaraan is het rapport van een bezwaarverzekeringsarts van 22 februari 2012 ten grondslag gelegd.

2.

De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. De rechtbank was van oordeel dat het medische onderzoek voldoende zorgvuldig was verricht. Volgens de rechtbank betekenen de conclusies van het door appellant ingebrachte rapport van UWV-SMZ van 18 november 2011 niet dat het onderzoek van de verzekeringsartsen onvoldoende zorgvuldig is geweest en onvoldoende is gemotiveerd. Daarbij heeft de rechtbank van belang geacht dat de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van 19 juli 2012 - mede op basis van informatie van de behandelend sector - gemotiveerd heeft aangegeven waarom geen sprake is van objectiveerbare medische klachten.

3.

In hoger beroep heeft appellant de juistheid van de uitspraak betwist. Hij heeft zijn standpunt herhaald dat uit het rapport van UWV-SMZ van 18 november 2011 blijkt dat het medische onderzoek van de (bezwaar)verzekeringsarts onzorgvuldig tot stand is gekomen en ongemotiveerd is. Volgens appellant wordt op grond van het rapport van UWV-SMZ reële twijfel gewekt aan de juistheid van dat medische onderzoek waardoor het inschakelen van een onafhankelijk deskundige aangewezen is. De rechtbank heeft dit volgens hem ten onrechte niet onderkend.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtsreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Op grond van artikel 19, vijfde lid, van de ZW dient ten aanzien van een verzekerde die geen werkgever heeft onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid te worden verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend voor zijn arbeid zijn.

4.2.

Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het medische onderzoek dat ten grondslag is gelegd aan het bestreden besluit voldoende zorgvuldig tot stand is gekomen alsmede voldoende inzichtelijk is gemotiveerd. In het rapport van 29 juli 2011 heeft de verzekeringsarts aangegeven dat de behandelend sector geen onderliggende oorzaak heeft kunnen vinden voor de gewrichtsklachten (vingers) van appellant en er ook geen behandeling bij hem is ingesteld. Met betrekking tot de rugklachten van appellant heeft de verzekeringsarts vermeld dat daarvoor geen beperkingen kunnen worden aangenomen, omdat appellant met die klachten zijn eigen arbeid heeft kunnen uitoefenen en uit beeldvormend onderzoek blijkt dat sprake is van lichte afwijkingen. Uit het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van

22 februari 2012 blijkt dat deze arts dossierstudie heeft verricht, informatie van de behandelend sector heeft meegewogen, de hoorzitting heeft bijgewoond en appellant aansluitend op het spreekuur heeft gezien. De bezwaarverzekeringsarts heeft geen medische argumenten gevonden om af te wijken van het primaire medische oordeel. Vervolgens heeft de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van 19 juli 2012 adequaat en op overtuigende wijze gemotiveerd dat de gegevens van het rapport van UWV-SMZ van 18 november 2011 in het kader van de beantwoording van de vraag of appellant recht heeft op ziekengeld niet bepalend zijn. Er wordt geen aanleiding gezien om de bezwaarverzekeringsarts daarin niet te volgen. Aangezien appellant in hoger beroep geen nieuwe medische informatie heeft ingebracht, bestaat er geen aanleiding om een onafhankelijk deskundige in te schakelen.

5.

Hetgeen in 4.1 en 4.2 is overwogen leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput, in tegenwoordigheid van M.P. Ketting als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 april 2014.

(getekend) J.J.T. van den Corput

(getekend) M.P. Ketting

CVG