Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1347

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-04-2014
Datum publicatie
24-04-2014
Zaaknummer
13-307 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering. Zorgvuldig medisch onderzoek. De rechtbank heeft terecht geen reden gezien om te twijfelen aan het standpunt van de verzekeringsartsen dat de maatgevende functie de belastbaarheid van appellante niet overschrijdt en grotendeels rugsparend is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/307 ZW

Datum uitspraak: 23 april 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van

21 december 2012, 12/2849 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. L. Boon, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 12 maart 2014. Appellante is verschenen met bijstand van mr. Boon en T.Y. Siu als tolk. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door V.A.R. Kali.

OVERWEGINGEN

1.

Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als productiemedewerker bij [naam werkgever] voor 38 uur per week. Vanuit de situatie dat zij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontving, heeft zij zich op 21 februari 2012 ziek gemeld vanwege een toename van rugklachten, later gevolgd door psychische klachten. Naar aanleiding van de bevindingen bij het spreekuur van 19 april 2012 is de verzekeringsarts tot de conclusie gekomen dat het ziekteproces dusdanig is verbeterd dat appellante voldoende belastbaar is om weer in haar maatgevende arbeid te hervatten. Bij besluit van 19 april 2012 is appellante met ingang van 26 april 2012 hersteld verklaard en is haar uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) per die datum beëindigd. Appellante heeft daartegen bezwaar gemaakt. Bij besluit van 16 augustus 2012 (bestreden besluit) is het bezwaar tegen het besluit van 19 april 2012 ongegrond verklaard. Daaraan is het rapport van een bezwaarverzekeringsarts van 15 augustus 2012 ten grondslag gelegd.

2.

De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. De rechtbank was van oordeel dat de verzekeringsgeneeskundige rapporten voldoende zijn gemotiveerd en voldoende zorgvuldig tot stand zijn gekomen. Daarbij heeft de rechtbank nog aangegeven dat het in de zaak van appellante gaat om de arbeids(on)geschiktheid op de datum 26 april 2012 zodat een eventuele latere verslechtering van haar gezondheidstoestand in deze zaak niet doorslaggevend kan zijn. Tot slot heeft de rechtbank geen reden gezien om te twijfelen aan het standpunt van de verzekeringsartsen dat de maatgevende functie de belastbaarheid van appellante niet overschrijdt en grotendeels rugsparend is.

3.

In hoger beroep heeft appellante de juistheid van de uitspraak betwist. Zij heeft haar standpunt herhaald dat haar rugklachten en haar psychische klachten door de (bezwaar)verzekeringsarts zijn onderschat waardoor zij haar maatgevende arbeid niet kan verrichten.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtsreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Op grond van artikel 19, vijfde lid, van de ZW dient ten aanzien van een verzekerde die geen werkgever heeft onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid te worden verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend voor zijn arbeid zijn.

4.2.

De vraag moet worden beantwoord of de Raad zich kan verenigen met het oordeel van de rechtbank dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante op de datum van 26 april 2012, geschikt moet worden geacht voor haar eigen werkzaamheden van productiemedewerker.

4.3.

Deze vraag wordt bevestigend beantwoord. Geoordeeld wordt dat de rechtbank de gronden van appellante uitvoerig heeft besproken en genoegzaam heeft gemotiveerd waarom deze niet slagen. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank en maakt die tot de zijne. Hetgeen appellante in hoger beroep en ter zitting naar voren heeft gebracht - en overigens niet nader onderbouwd heeft met nieuwe medische gegevens - heeft niet tot een ander oordeel kunnen leiden.

5.

Hetgeen in 4.1 tot en met 4.3 is overwogen, leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput, in tegenwoordigheid van M.P. Ketting als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 april 2014.

(getekend) J.J.T. van den Corput

(getekend) M.P. Ketting

CVG