Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1346

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-04-2014
Datum publicatie
24-04-2014
Zaaknummer
13-4411 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering. Zorgvuldig medisch onderzoek. Onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat het inzichtelijk gemotiveerde standpunt van de bezwaarverzekeringsarts niet juist zou zijn. De stelling van appellant dat hij volledig onbeschermd vele jaren met landbouwgifstoffen heeft gewerkt, wat er zij van de invloed daarvan op zijn gezondheid, is niet onderbouwd met nadere stukken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/4411 ZW

Datum uitspraak: 23 april 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van

3 juli 2013, 12/1059 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. K.J.M. Wassenaar, juridisch adviseur, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 maart 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Wassenaar en D. Oktas als tolk. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J. Grasmeijer.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was werkzaam als fulltime agrarisch medewerker via een uitzendbureau toen hij zich per 21 oktober 2011 heeft ziek gemeld wegens migraine/hoofdpijnklachten. Naar aanleiding van deze ziekmelding heeft appellant een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) ontvangen. Appellant heeft op 16 november 2011 het spreekuur bezocht van verzekeringsarts E.N. Ali. Deze arts is tot de conclusie gekomen dat appellant met ingang van

24 november 2011 weer geschikt is te achten voor zijn werk als fulltime agrarisch medewerker. Bij besluit van 16 november 2011 heeft het Uwv dienovereenkomstig het recht op ziekengeld van appellant met ingang van 24 november 2011 beëindigd.

1.2. Na een herbeoordeling door bezwaarverzekeringsarts M. Keus, heeft het Uwv bij besluit van 3 januari 2012 (bestreden besluit) het bezwaar van appellant tegen het besluit van

16 november 2011 ongegrond verklaard.

2.

De rechtbank heeft het beroep van appellant bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat uit de onderzoeken door de verzekeringsartsen voldoende gegevens naar voren komen om tot een afgewogen oordeel omtrent de voor appellant geldende beperkingen te komen. Daarbij heeft de rechtbank doorslaggevende betekenis toegekend aan het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van

28 maart 2013, waarin deze inzichtelijk en gemotiveerd te kennen heeft gegeven dat het rapport van het neuropsychologisch onderzoek van 15 januari 2013 en de brief van de bedrijfsarts van 5 februari 2013, geen aanleiding geven om het eerder ingenomen standpunt te wijzigen.

3.

Appellant kan zich met deze uitspraak niet verenigen en heeft in hoger beroep aangevoerd dat uit de specialistische rapporten van de bedrijfsarts van 5 februari 2013 en het neuropsychologisch onderzoek van 15 januari 2013 blijkt dat bij hem sprake is van cognitieve en lichamelijke klachten. Er is zelfs een toename van de klachten en een zeer hoog klachtenniveau. Ook de lijdensdruk is zeer hoog. Hieruit volgt volgens appellant dat hij niet geschikt is om zijn arbeid te verrichten. Dat niet direct een beroepsziekte kan worden vastgesteld, wil niet zeggen dat appellant niet arbeidsongeschikt zou zijn. Op grond van het vorenstaande is een onafhankelijk deskundigenonderzoek op zijn plaats. De uitspraak van de rechtbank is dan ook onzorgvuldig tot stand gekomen.

4.1.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2.

Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. In dit geval is dat het werk van agrarisch medewerker voor 40 uur in de week. Bij de beoordeling van de geschiktheid van appellant voor dit werk, beschikten de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts over de “Vragenlijst ziekte en re-integratie”. Hierin is door appellant een uitgebreide beschrijving gegeven van de belasting in dit werk. Met deze beschrijving hadden beide verzekeringsartsen een voldoende duidelijk beeld van de aard en de zwaarte van het laatst verrichte werk van appellant.

4.3.

Er bestaat voorts geen aanleiding het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen voor onzorgvuldig te houden. De verzekeringsarts heeft appellant op het spreekuur van

16 november 2011 onderzocht en had daarbij onder meer de beschikking over de informatie van neuroloog R.W.M. Keunen van 9 december 2008, waaruit blijkt dat al sprake was van hoofdpijnklachten. Ook is blijkens een MRI-scan destijds vastgesteld dat sprake is van een demyeliniserende aandoening (afwijkingen aan de witte stof van de hersenen). Van de neuroloog heeft appellant als leefregel meegekregen zich niet te overbelasten, waarbij hij zich aan de reguliere werktijden moet houden en op tijd zijn rust moet nemen. Op grond van deze informatie en zijn eigen bevindingen - waarbij geen relevante beperkingen voor arbeid zijn vastgesteld - heeft de verzekeringsarts geconcludeerd dat het ziekteproces dusdanig is verbeterd dat appellant voldoende belastbaar moet worden geacht om zijn werk als agrarisch medewerker te hervatten.

4.4.

Naar aanleiding van het ingediende bezwaarschrift van appellant heeft de bezwaarverzekeringsarts vervolgens dossierstudie verricht, informatie opgevraagd bij de behandelend neuroloog en appellant op het spreekuur van 5 december 2011 onderzocht. In het rapport van 2 januari 2012 heeft de bezwaarverzekeringsarts te kennen gegeven dat uit de informatie van de neuroloog blijkt dat de klachten van appellant in 2008 zijn gerelateerd aan overmatig gebruik van koffie en pijnstillers, hetgeen hij diende te minderen. De in 2008 bij toeval vastgestelde afwijkingen aan de witte stof in de hersenen zijn, zoals blijkt uit een uitgevoerde MRI-scan op 13 december 2011, niet toegenomen. Dit betekent volgens de bezwaarverzekeringsarts dat deze bevindingen stabiel zijn. Ook is de toename van de hoofdpijnklachten met de informatie van de neuroloog van 21 december 2011 niet duidelijk verklaard. Overtuigende aanwijzingen voor een psychiatrisch beeld zijn er niet en appellant ervaart ook geen psychische problematiek. De huisarts heeft ook geen aanleiding gezien appellant te verwijzen naar de GGZ. De enkele mededeling dat appellant mogelijk in het verleden met landbouwgif in aanraking is geweest, kan volgens de bezwaarverzekeringsarts ten slotte ook niet leiden tot de conclusie dat appellant met ingang van 24 november 2011 ongeschikt is te beschouwen voor zijn werk als agrarisch medewerker.

4.5.

De in beroep overgelegde informatie van neuroloog Keunen, waaruit blijkt dat geen evidente neurologisch objectiveerbare oorzaken zijn gevonden voor de klachten van appellant en de informatie van psychiater J. van der Linde die concludeert dat sprake is van stemmingsklachten met cognitieve traagheid, heeft de bezwaarverzekeringsarts geen aanleiding gegeven het eerder ingenomen standpunt te wijzigen. In het rapport van

22 november 2012 stelt de bezwaarverzekeringsarts dat de genoemde klachten reeds bekend zijn, appellant met deze klachten na 2008 nog jaren in de tuinbouw heeft kunnen werken en dat de diagnostiek kennelijk nog niet is afgerond. Nu de informatie voorts dateert van na de datum in geding geeft deze geen reden om te stellen dat appellant per 24 november 2011 al ongeschikt voor zijn arbeid te beschouwen is.

4.6.

Ten slotte is in beroep een brief overgelegd van de bedrijfsarts van 5 februari 2013, met daarin een samenvatting van een neuropsychologisch onderzoek, zoals is weergegeven in het eveneens overgelegde rapport van 15 januari 2013 van het neuropsychologisch onderzoek, waaruit blijkt dat sprake is van geobjectiveerde cognitieve beperkingen die ernstiger zijn dan op basis van (hetero)anamnestische informatie verwacht zou worden. Een verklaring hiervoor blijft onduidelijk. De bezwaarverzekeringsarts heeft in het rapport van 28 maart 2013 een reactie op deze informatie gegeven. Volgens de bezwaarverzekeringsarts bestaat geen aanleiding het eerdere standpunt bij te stellen. Er bestaat een reële mogelijkheid dat de taalproblemen de scores bij het neuropsychologisch onderzoek negatief hebben beïnvloed. De Raad acht hierbij van belang dat uit de overgelegde informatie van het neuropsychologisch onderzoek weliswaar blijkt dat sprake is van objectiveerbare cognitieve afwijkingen, maar dat hieruit niet duidelijk blijkt in hoeverre dit beperkingen oplevert voor het verrichten van arbeid door appellant ten tijde van de datum in geding.

4.7.

Hetgeen in hoger beroep is aangevoerd bevat onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat het inzichtelijk gemotiveerde standpunt van de bezwaarverzekeringsarts en het oordeel van de rechtbank niet juist zouden zijn. Daarbij wordt van belang geacht dat de stelling van appellant dat hij volledig onbeschermd vele jaren met landbouwgifstoffen heeft gewerkt, wat er zij van de invloed daarvan op zijn gezondheid, niet is onderbouwd met nadere stukken. De overgelegde brief van de Gezondheidsraad van 29 januari 2014 betreft een advies aan de staatssecretaris van infrastructuur en milieu. Hieruit kunnen geen conclusies worden getrokken met betrekking tot de eventuele blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen in het concrete geval van appellant. De overgelegde onderzoeksbevindingen van psychiater

H.P. Spaans en klinisch neuropsycholoog E. Verwijk dateren van 17 september 2013, derhalve bijna twee jaar na de datum hier in geding en bevatten onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat appellant op 24 november 2011 op psychische gronden niet in staat was tot het verrichten van zijn arbeid. Er bestaat dan ook geen aanleiding om een onafhankelijk deskundige te benoemen.

5.

Hetgeen onder 4.2 tot en met 4.7 is overwogen leidt tot de slotsom dat het Uwv op goede gronden het recht op ziekengeld van appellant met ingang van 24 november 2011 heeft beëindigd. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput, in tegenwoordigheid van M.P. Ketting als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 april 2014.

(getekend) J.J.T. van den Corput

(getekend) M.P. Ketting

CVG