Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1339

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-04-2014
Datum publicatie
24-04-2014
Zaaknummer
12-6330 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering. Zorgvuldig medisch onderzoek. Geen twijfel aan de bevindingen en de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts dat appellante geschikt is te achten voor haar eigen werk. Protocol Angststoornissen is niet van toepassing bij een beoordeling op grond van de ZW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/6330 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van

8 november 2012, 12/406 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E.A. van Wieren, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 maart 2014. Appellante is verschenen bij haar gemachtigde mr. Van Wieren. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. A.I. Damsma.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante was van 1 januari 2001 tot 1 augustus 2011 werkzaam als verkoopster voor 20 uur per week in een verf/hobbyzaak. Op 10 juni 2010 heeft appellante zich ziek gemeld in verband met rugklachten, later geduid als fibromyalgie. Appellante is in dit verband op 9 september 2011 op het spreekuur van de verzekeringsarts geweest. De verzekeringsarts heeft daarbij geen aanwijzingen gevonden voor het stellen van medische beperkingen, maar wel voor een fors

life-style probleem, en heeft appellante met ingang van 15 september 2011 weer geschikt geacht voor haar arbeid. In overeenstemming hiermee heeft het Uwv bij besluit van 9 september 2011 vastgesteld dat appellante met ingang van 15 september 2011 geen recht meer heeft op ziekengeld.

1.2. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv - in navolging van de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts, neergelegd in het rapport van 18 januari 2012 - bij besluit van

19 januari 2012 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij niet kunnen concluderen dat het onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsartsen naar de klachten van appellante onzorgvuldig is geweest. De rechtbank heeft geconstateerd dat de (bezwaar)verzekeringsartsen bij hun beoordeling hebben betrokken de medische informatie die hun ter beschikking stond. Naar het oordeel van de rechtbank kan voorts niet worden gezegd dat de (bezwaar)verzekeringsartsen de medische situatie van appellante op 15 september 2011 niet juist hebben beoordeeld. Gelet op het geheel van de over appellante beschikbare gegevens, is de rechtbank niet gebleken van een toereikende objectief-medische onderbouwing om aan te nemen dat de medische situatie van appellante ten tijde in geding ernstiger was dan de (bezwaar)verzekeringsartsen hebben vastgesteld. Het Uwv heeft zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat appellante per 15 september 2011 geschikt is voor haar werk, zodat zij geen recht meer heeft op een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW).

3.

In hoger beroep herhaalt appellante haar standpunt dat er sprake is geweest van een onzorgvuldig onderzoek. Uit de gegevens blijkt dat sprake is van een ernstige psychische problematiek. Er had niet zomaar geconcludeerd kunnen worden dat sprake is van psychische klachten van lichte aard. Volgens appellante heeft het verzekeringsgeneeskundig onderzoek niet plaatsgevonden conform het protocol Angststoornissen. Volgens appellante blijkt uit de in beroep overgelegde informatie van GGZ Friesland van 31 augustus 2012 dat sprake is van problematische persoonskenmerken in cluster B oftewel een vrouw die last heeft van problemen in de emotieregulatie in het kader van borderlinepersoonlijkheidsproblematiek. Op de datum in geding was de situatie dan ook ernstiger dan door de verzekeringsartsen was vastgesteld. Duidelijk is in ieder geval dat er sprake was van beperkingen en dat de eigen functie voor appellante niet geschikt is, mede gezien de afwezigheid van de mogelijkheid om te zitten.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge het bepaalde in artikel 19, eerste, en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. In dit geval is dat het werk van verkoopster voor 20 uur per week.

4.2.

Hetgeen appellante heeft aangevoerd vormt een herhaling van hetgeen zij in beroep heeft aangevoerd en vormt geen reden anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. Er is sprake geweest van een zorgvuldig verricht medisch onderzoek waarover op inzichtelijke wijze is gerapporteerd. De bezwaarverzekeringsarts heeft appellante gezien op het spreekuur en heeft de medische informatie van de huisarts, revalidatiearts, plastisch chirurg en GGZ meegewogen. De bezwaarverzekeringsarts deelt de visie van appellante dat lichte beperkingen wel aannemelijk zijn, maar niet dat zij daarmee arbeidsongeschikt is. Op grond van de medische situatie is er geen reden om appellante zwaar te beperken. Op basis van de pijnklachten in verband met fibromyalgie zijn er wel lichte beperkingen ten aanzien van zware arbeid. Volgens de bezwaarverzekeringsarts is haar eigen werk daarmee niet ongeschikt, zeker als meegewogen wordt dat dit maar 20 uur per week was. De bijkomende psychische klachten zijn van lichte aard in de zin van sombere stemming en prikkelbaarheid en leiden ook slechts tot lichte beperkingen waarmee zwaar mentaal belastend werk niet passend zou zijn. Daarvan is in het eigen werk geen sprake. De informatie van de GGZ waarin wordt aangegeven dat er sprake is van een aanpassingsstoornis met angst en een stoornis in de impulsbeheersing past volgens de bezwaarverzekeringsarts bij de eigen bevindingen bij onderzoek. Er bestaat gelet op de medische informatie in het dossier geen aanleiding voor twijfel aan de bevindingen en de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts dat appellante geschikt is te achten voor haar eigen werk. Met betrekking tot de in beroep overgelegde informatie van de GGZ van 21 maart 2012 en 31 augustus 2012 heeft de bezwaarverzekeringsarts in het rapport van 9 juli 2012 inzichtelijk en afdoende gemotiveerd, dat daarin geen nieuwe gezichtspunten naar voren komen. Het betreffen voortgangsrapportages van de behandeling van appellante.

Appellante heeft verder in hoger beroep geen nieuwe medische informatie overgelegd op grond waarvan geoordeeld zou moeten worden dat zij niet geschikt geacht kan worden voor haar eigen werk.

4.3.

Met betrekking tot het beroep van appellante op het protocol Angststoornissen wordt verwezen naar de uitspraak van 13 mei 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BI3737, waarin de Raad heeft geoordeeld dat de verzekeringsgeneeskundige protocollen, waaronder begrepen het protocol Angststoornissen, niet van toepassing zijn bij een beoordeling op grond van de ZW.

5.

Uit hetgeen hiervoor onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen volgt dat het hoger beroep van appellante niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6.

Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk, in tegenwoordigheid van D. Heeremans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 april 2014.

(getekend) J.S. van der Kolk

(getekend) D. Heeremans

IvR