Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1327

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-04-2014
Datum publicatie
23-04-2014
Zaaknummer
13-336 ZW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2012:7192, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Een nader gestelde diagnose, die is gebaseerd op reeds eerder bekende medische onderzoeksgegevens, dient evenwel niet als nieuw feit of veranderde omstandigheid te worden aangemerkt. Bovendien kan uit de brief van dr. Hoogvliet niet worden afgeleid dat deze betrekking heeft op de medische situatie van appellante op 5 februari 2008, de datum in geding. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit terecht ongegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/336 ZW

Datum uitspraak: 18 april 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

6 december 2012, 12/1332 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.A.M. van Leeuwen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 maart 2014. Appellante is verschenen. Namens het Uwv is verschenen mr. M.K. Dekker.

OVERWEGINGEN

1.1. Vanaf 27 februari 2007 heeft appellante een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) ontvangen. Bij besluit van 29 januari 2008 is de ZW-uitkering van appellante met ingang van 5 februari 2008 beëindigd. Dit besluit staat in rechte vast.

1.2. Op 3 januari 2009 heeft appellante verzocht om terug te komen van het besluit van

29 januari 2008. Dit verzoek heeft het Uwv bij besluit van 25 juni 2009 afgewezen. Hiertegen heeft appellante - zonder succes - rechtsmiddelen aangewend. Ook dit besluit staat in rechte vast.

1.3. Bij brief van 2 mei 2011 heeft appellante het Uwv nogmaals verzocht om terug te komen van het besluit van 29 januari 2008. Zij heeft hierbij gewezen op de uitkomsten van een onderzoek van het pijnbehandelcentrum van het Erasmus MC. Bij besluit van 1 september 2011 heeft het Uwv geweigerd terug te komen van het besluit van 29 januari 2008. Het Uwv heeft bij besluit van 14 februari 2012 (bestreden besluit) het bezwaar van appellante tegen het besluit van 1 september 2011 ongegrond verklaard, omdat naar de mening van het Uwv er zowel met de op 2 mei 2011 meegestuurde informatie als de met het bezwaar meegestuurde informatie, niet gebleken is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zodanig dat het Uwv redelijkerwijs gehouden is om terug te komen van de beslissing van

29 januari 2008.

2.

De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

3.

Appellante kan zich met deze uitspraak niet verenigen. Volgens appellante is er wel sprake van een nieuw feit en zij heeft in dit verband verwezen naar de brief van 15 december 2011 van dr. P. Hoogvliet, revalidatiearts.

4.

De Raad overweegt als volgt.

4.1.

Het verzoek van appellant van 2 mei 2011 strekt ertoe dat het Uwv terugkomt van zijn besluit van 29 januari 2008. Volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld CRvB 21 oktober 2003, ECLI:NL:CRVB:2003:AM3202) is op zo’n verzoek artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing. Dit betekent dat de aanvrager nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden naar voren moet brengen. Wanneer de aanvrager dat niet doet, kan een bestuursorgaan het verzoek afwijzen met verwijzing naar zijn eerdere besluit. Ook als zonder meer duidelijk is dat wat bij het verzoek is aangevoerd niet van belang kan zijn voor het eerdere besluit, mag een bestuursorgaan het verzoek op deze manier afwijzen.

Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.

4.2.

Het betoog van appellante komt er in de kern op neer dat er sprake is van een nieuw feit omdat dr. Hoogvliet in zijn brief van 15 december 2011 een nadere diagnose heeft gesteld die haar klachten kunnen verklaren, te weten een chronisch pijnsyndroom. Uit deze brief volgt dat appellante sinds 26 april 2011 onder behandeling is op de afdeling revalidatie van het Erasmus MC in verband met pijnklachten, welke bij nadere analyse voor een aanzienlijk deel bleken te kunnen worden verklaard door een chronisch pijnsyndroom.

4.3.

Op grond van vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 23 november 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BB8684) dient een nader gestelde diagnose, die is gebaseerd op reeds eerder bekende medische onderzoeksgegevens, evenwel niet als nieuw feit of veranderde omstandigheid te worden aangemerkt. Bovendien kan uit de brief van dr. Hoogvliet niet worden afgeleid dat deze betrekking heeft op de medische situatie van appellante op

5 februari 2008, de datum in geding. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit terecht ongegrond verklaard.

4.4.

Gelet op hetgeen in 4.2 en 4.3 is overwogen slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Dit betekent dat het verzoek om schadevergoeding moet worden afgewezen.

5.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    wijst het verzoek om veroordeling tot het vergoeden van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door C.C.W. Lange, in tegenwoordigheid van S. Aaliouli als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 april 2014.

(getekend) C.C.W. Lange

(getekend) S. Aaliouli

IJ