Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1320

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-04-2014
Datum publicatie
22-04-2014
Zaaknummer
13-1106 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering. Voldoende medische grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/1106 ZW

Datum uitspraak: 16 april 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van
20 februari 2013, 12/9969 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante]te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S. Salhi, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 maart 2014. Voor appellante is mr. Salhi verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J. Grasmeijer.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante heeft zich op 18 oktober 2010 ziek gemeld met psychische klachten voor haar werk als huishoudelijke hulp in een omvang van 31 uur per week. De dienstbetrekking met haar werkgever is per 19 oktober 2010 geëindigd. Aan appellante is een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. Bij besluit van 11 januari 2012 heeft het Uwv de
ZW-uitkering van appellante per 9 januari 2012 beëindigd nadat een verzekeringsarts had vastgesteld dat appellante per 9 januari 2012 weer in staat was om haar arbeid te verrichten. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 11 januari 2012 en dat bezwaar is bij besluit van 21 mei 2012 door het Uwv ongegrond verklaard. Het tegen dit besluit van
21 mei 2012 ingestelde beroep is door de rechtbank ´s-Gravenhage bij uitspraak van
24 oktober 2012 ongegrond verklaard. De Raad heeft bij uitspraak van heden (12/5867), beslissend op het tegen de uitspraak van de rechtbank ingestelde hoger beroep, de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

1.2. Appellante heeft zich op 25 juni 2012 opnieuw ziek gemeld met psychische klachten en klachten aan de rechterschouder. Appellante is op 2 juli 2012 op het spreekuur van een verzekeringsarts van het Uwv gezien. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellante per 25 juni 2012 onveranderd in staat was om haar arbeid te verrichten. Bij besluit van 2 juli 2012 heeft het Uwv aan appellante medegedeeld dat zij per 25 juni 2012 in staat was om haar arbeid te verrichten en is aan haar geen ZW-uitkering toegekend.

1.3. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 2 juli 2012. Bij beslissing op bezwaar van 12 oktober 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard, onder verwijzing naar een rapport van een bezwaarverzekeringsarts van 11 oktober 2012.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat een verzekeringsarts van het Uwv na onderzoek van appellante geen objectiveerbare beperkingen bij haar heeft kunnen vaststellen die in de weg stonden aan de uitoefening van haar werkzaamheden. In bezwaar is appellante door een bezwaarverzekeringsarts onderzocht, is dossieronderzoek verricht en was informatie van de behandelend psycholoog aanwezig. De bezwaarverzekeringsarts kwam tot de conclusie dat appellante in staat was de eigen arbeid te verrichten, omdat hij bij onderzoek nauwelijks afwijkingen kon vaststellen. De aanwezige psychische beperkingen waren onvoldoende ernstig om appellante ongeschikt te achten voor het weinig psychisch belastende eigen werk. Op basis van deze overwegingen heeft de rechtbank geoordeeld dat uit de onderzoeken van de verzekeringsartsen van het Uwv voldoende gegevens naar voren zijn gekomen om tot een afgewogen oordeel over de beperkingen van appellante te kunnen komen. De rechtbank zag geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het onderzoek door de verzekeringsartsen van het Uwv onzorgvuldig of de uitkomst daarvan onjuist zou zijn.

3.

Appellante heeft in hoger beroep gesteld dat een ernstige depressie niet volledig kan herstellen in zes maanden zonder dat een effectieve behandeling heeft plaatsgevonden. Verwezen wordt naar de verklaring van haar behandelaar van 26 juli 2011 waarin vermeld wordt dat de vooruitzichten op korte termijn zeer ongunstig zijn. Verder is aangevoerd dat zij nog steeds medicijnen tegen depressie gebruikt en dat die medicijnen van invloed zijn op haar reactievermogen. Appellante voelt zich erg moe, kan zich niet concentreren en slaapt veel. De verzekeringsarts heeft volgens appellante ten onrechte vastgesteld dat er voor haar geen medisch objectiveerbare belemmeringen zijn voor het verrichten van haar arbeid. De verzekeringsarts had zijn bevindingen moeten bespreken met de behandelend arts.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak dient onder zijn arbeid te worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. In de situatie van appellante betekent dit de (schoonmaak) werkzaamheden in de huishouding voor 31 uur per week.

4.2.

In deze procedure moet de vraag worden beantwoord of de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit, dat appellante per 25 juni 2012 onveranderd in staat was de eigen arbeid te verrichten, terecht ongegrond heeft verklaard.

4.3.

Het oordeel en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen van de rechtbank worden onderschreven. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat de (bezwaar)verzekeringsarts op basis van eigen onderzoek, waarbij de informatie van de psycholoog is betrokken, tot de conclusie is gekomen dat appellante, gezien de afgenomen ernst van de depressie, met de nog bestaande beperkingen haar arbeid van hulp in de huishouding kan verrichten, omdat daarbij nauwelijks psychische belastende factoren voorkomen. Dit standpunt is op inzichtelijke wijze door de verzekeringsartsen onderbouwd en kan worden gevolgd.

4.4.

Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. Het Uwv heeft in het verweerschrift met juistheid gesteld dat door het Uwv niet is vastgesteld dat appellante volledig hersteld zou zijn, maar dat zij met haar beperkingen het eigen werk kon verrichten. Dat er bijwerkingen zouden zijn als gevolg van medicijngebruik, die appellante zouden verhinderen haar werk te doen, blijkt niet.

4.5.

Met betrekking tot de verwijzing door appellante naar het verslag van PsyQ van

26 juli 2011 merkt de Raad op dat de datum hier in geding 25 juni 2012 is. Uit het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van het Uwv van 11 oktober 2012 blijkt dat de door appellante overgelegde brief van PsyQ van 5 juli 2012 door deze arts is gezien in het kader van de heroverweging. De conclusie van de bezwaarverzekeringsarts, dat de psychische beperkingen van appellante zodanig zijn dat zij haar niet ongeschikt maken voor het weinig belastende eigen werk, is door die informatie niet gewijzigd en is door hem overtuigend en toereikend gemotiveerd.

4.6.

Hetgeen in 4.1 tot en met 4.5 is overwogen, leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5.

Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 april 2014.

(getekend) J.S. van der Kolk

(getekend) Z. Karekezi

CVG