Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1311

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-04-2014
Datum publicatie
23-04-2014
Zaaknummer
13-182 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Onderzoeksbevindingen bieden geen toereikende grondslag voor het standpunt van het college dat appellant niet daadwerkelijk woonachtig was op het uitkeringsadres. De besluitvorming over de nieuwe aanvraag kan derhalve niet in stand blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/182 WWB

Datum uitspraak: 22 april 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 27 november 2012, 12/2297 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van [plaatsnaam] (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.A.M.B. Amting, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 januari 2014. Appellant is verschenen, bijstaan door mr. Amting. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. E.P. Ebbinge.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), naar de norm voor een alleenstaande. Hij staat sinds 23 maart 2009 ingeschreven op het adres [adres] te [plaatsnaam] (uitkeringsadres). Omdat het college twijfels had over de woon- en leefsituatie van appellant, heeft het college een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand.

1.2.

De Hoofdafdeling Sociale Zekerheid van de gemeente Amersfoort heeft onder meer dossieronderzoek gedaan, informatie ingewonnen over het waterverbruik, internetonderzoek verricht, een gesprek gevoerd met appellant op 29 juli 2011 en aansluitend aan dat gesprek een huisbezoek op het uitkeringsadres verricht. De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in een rapportage van 5 oktober 2011.

1.3.

Het college heeft op basis van de resultaten van het onderzoek bij besluit van 12 oktober 2011 de bijstand van appellant met ingang van 20 juli 2011 ingetrokken en de over de periode van 20 juli 2011 tot en met 16 augustus 2011 gemaakte kosten van bijstand, na verrekening van vakantiegeld, tot een bedrag van € 874,19 van appellant teruggevorderd. Aan dit besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant een gezamenlijke huishouding voert met zijn ex-partner, de moeder van zijn kinderen, op haar adres.

1.4.

Appellant heeft op 4 november 2011 opnieuw een aanvraag om bijstand ingediend. Het college heeft deze aanvraag bij besluit van 22 november 2011 afgewezen op de grond dat er geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) die zouden moeten leiden tot een wijziging van het besluit van 12 oktober 2011.

1.5.

Bij beslissing op bezwaar van 31 mei 2012 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten van 12 oktober 2011 en van 22 november 2011 ongegrond verklaard. Het college heeft zich daarbij op het - gewijzigde - standpunt gesteld dat appellant niet feitelijk zijn hoofdverblijf heeft op het uitkeringsadres. Door dit niet te melden heeft appellant de wettelijke inlichtingenverplichting geschonden en kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit voor zover het de handhaving van de afwijzing van de aanvraag van 4 november 2011 betreft vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit voor zover dat is vernietigd in stand blijven.

3.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft aangevoerd dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij niet woonachtig was op het door hem opgegeven adres.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Intrekking en terugvordering

4.1.

De beoordeling door de bestuursrechter bestrijkt de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het intrekkingsbesluit. Dat betekent dat hier ter beoordeling voorligt de periode van 20 juli 2011 tot en met 12 oktober 2011.

4.2.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

4.3.

Uit 4.2 volgt dat het college in dit geval aannemelijk dient te maken dat appellant in de te beoordelen periode niet woonde op het uitkeringsadres en dat hij daarvan ten onrechte geen melding heeft gemaakt bij het college.

4.4.

De vraag waar iemand zijn woonadres heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De betrokkene is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verstrekken, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand.

4.5.

Het college heeft zich bij zijn besluitvorming gebaseerd op de bevindingen van het onderzoek naar de woonsituatie van appellant die zijn neergelegd in het rapport van 5 oktober 2011. Dit onderzoek was aanvankelijk gericht op de vraag of appellant een gezamenlijke huishouding voerde met zijn ex-partner. Nadat het college in bezwaar concludeerde dat het standpunt dat sprake is van een gezamenlijke huishouding geen stand kon houden omdat er te weinig aanknopingspunten zijn voor de conclusie dat appellant zijn hoofdverblijf heeft op het adres van zijn ex-partner, heeft het college zich op het standpunt gesteld dat op basis van de onderzoeksresultaten wel geconcludeerd kan worden dat appellant niet zijn hoofdverblijf heeft op het uitkeringsadres.

4.6.

Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, bieden deze onderzoeksbevindingen geen toereikende grondslag voor het standpunt van het college dat appellant in de te beoordelen periode niet daadwerkelijk woonachtig was op het uitkeringsadres. Bij het huisbezoek op

29 juli 2011 hebben de rapporteurs geconstateerd dat nauwelijks levensmiddelen in de woning aanwezig waren en dat de woning een rommelige indruk maakte. Echter in het verslag van het huisbezoek, zoals opgenomen in een rapportage van 1 augustus 2011, staat dat appellant op het adres zou kunnen verblijven. Ook het waterverbruik is niet dusdanig laag dat op grond daarvan geconcludeerd kan worden dat appellant niet op het uitkeringsadres woonachtig kan zijn. Appellant heeft uitleg gegeven over de wijze waarop hij in zijn woning heeft verbleven. Hij heeft een sobere levenswijze en leeft niet als een doorsnee burger. Vanwege de vakantie en de daarmee samenhangende zorg voor zijn kinderen verbleef hij in de beoordelingsperiode meer dan gebruikelijk in de woning van zijn ex-partner. Dat verklaart het feit dat weinig levensmiddelen in huis waren. De woning was tijdens het huisbezoek rommelig omdat appellant bezig was met een verbouwing van de keuken. Die uitleg kan niet terzijde worden geschoven met de enkele stelling van het college dat deze niet geloofwaardig is. Het is immers aan het college om aannemelijk te maken dat appellant niet in zijn woning heeft verbleven. Ook over het ontbreken van administratie heeft appellant een plausibele verklaring afgelegd, namelijk dat deze zich bevond bij zijn hulpverlener van het Nedahuis.

4.7.

Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het standpunt van het college dat appellant niet op het uitkeringsadres woonde niet kan worden gevolgd.

4.8.

Uit 4.7 volgt dat het hoger beroep slaagt en dat het college niet bevoegd was tot intrekking van de bijstand van appellant en evenmin tot terugvordering van de gemaakte kosten van bijstand. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak, met uitzondering van wat daarin is bepaald over proceskosten en griffierecht, voor vernietiging in aanmerking komt. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep van appellant gegrond verklaren en het bestreden besluit voor zover het ziet op de intrekking en terugvordering wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid van de Awb vernietigen. De Raad acht het, gelet op het tijdsverloop, uitgesloten dat het gebrek dat kleeft aan dat besluit thans nog kan worden hersteld. De Raad ziet dan ook aanleiding gebruik te maken van zijn bevoegdheid om zelf in de zaak te voorzien door het besluit van 12 oktober 2011 te herroepen.

Nieuwe aanvraag

4.9.

Uit 4.1 tot en met 4.8 vloeit voort dat de besluitvorming over de nieuwe aanvraag niet in stand kan blijven. Het bestreden besluit komt dus ook voor zover het ziet op de nieuwe aanvraag voor vernietiging in aanmerking. De Raad ziet voorts aanleiding om het besluit van 22 november 2011 te herroepen voor zover daarbij de aanvraag van 4 november 2011 is afgewezen.

5.

Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de kosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 974,- in bezwaar en op € 974,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 31 mei 2012;

- herroept de besluiten van 12 oktober 2011 en 22 november 2011;

- veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van € 974,- ;

- bepaalt dat het college aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 115,-

vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van S.K. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 april 2014.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) S.K. Dekker

HD