Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1310

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-04-2014
Datum publicatie
22-04-2014
Zaaknummer
12-6189 AW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2012:5692, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Eervol ontslag na een herplaatsingstraject, vanwege onverenigbaarheid van karakters. Niet gezegd kan worden dat de raad van bestuur een overwegend aandeel heeft gehad in het ontstaan en voortbestaan van de tussen partijen ontstane verstoorde verhoudingen. Geen aanleiding voor een aanvullende ontslagvergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/6189 AW

Datum uitspraak: 17 april 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 4 oktober 2012, 11/3388 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

Raad van Bestuur Erasmus Medisch Centrum te Rotterdam (raad van bestuur)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.D. van Velthoven, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De raad van bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 maart 2014. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Velthoven. De raad van bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Y.G.B. Coonen-ter Braak en F. Arendsen.

OVERWEGINGEN

1.

Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1.

Appellante was sinds 18 november 2002 werkzaam bij het Erasmus Medisch Centrum, laatstelijk als [naam functie] op de afdeling [naam afdeling 1].

1.2.

Bij besluit van 20 januari 2010 is appellante met ingang van 1 februari 2010 aangewezen als herplaatsingskandidaat voor in beginsel zes maanden, wegens onverenigbaarheid van karakters. Bij besluit van 28 september 2010 is de herplaatsingstermijn verlengd tot 1 februari 2011.

1.3.

De raad van bestuur heeft bij besluit van 14 december 2010, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 5 juli 2011 (bestreden besluit), appellante eervol ontslag verleend op grond van artikel 12.12 van de Collectieve Arbeidsovereenkomst Universitair Medische Centra (CAO UMC).

2.

De rechtbank heeft bij haar tussenuitspraak van 28 juni 2012, 11/3388, voor zover hier van belang, geoordeeld dat het op de weg lag van de raad van bestuur om, alvorens appellante na een herplaatsingstraject te ontslaan vanwege onverenigbaarheid van karakters, uit te zoeken of en te onderbouwen dat sprake was van onverenigbaarheid van karakters, dat de verstoring van de arbeidsrelatie onherstelbaar was, wie daaraan daadwerkelijk schuldig was en of de gedragingen van appellante voldoende grondslag vormden voor een (mogelijk) ontslag op die grond.

2.1.

De raad van bestuur heeft ter uitvoering van deze tussenuitspraak bij brief 8 augustus 2012 de motivering van het bestreden besluit aangevuld. Daarbij heeft de raad van bestuur zich op het standpunt gesteld dat sprake was van onverenigbaarheid van karakters en van een onherstelbaar verstoorde arbeidsverhouding tussen appellante en haar leidinggevende enerzijds en tussen appellante en haar collega’s anderzijds. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft hij verwezen naar diverse schriftelijke stukken, waaronder gespreksverslagen die betrekking hebben op de periode van april tot en met juni 2008. De raad van bestuur is van mening geen overwegend aandeel te hebben gehad in het ontstaan en voortbestaan van de situatie die tot het ontslag heeft geleid. Hij wijst erop dat appellante zich niet los wist te maken van haar eigen normen en waarden, wat een normale collegiale samenwerking in de weg stond. Ook kon zij geen respect meer kon opbrengen voor haar leidinggevende en zich niet meer kon voegen in de hiërarchie. Voorts heeft de raad van bestuur gewezen op de inspanningen die zijn verricht om appellante te herplaatsen binnen de organisatie. Daarbij heeft zij zich gemotiveerd op het standpunt gesteld dat zij niet gehouden was om de herplaatsingstermijn per 1 februari 2011 nogmaals te verlengen, na de ziekte van appellante vanaf 9 oktober 2010.

2.2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

3.

Appellante heeft zich in hoger beroep, op hierna te bespreken gronden, tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand heeft gelaten.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 12.12, eerste lid, van de CAO UMC kan een medewerker met een dienstverband voor onbepaalde tijd eervol ontslag worden verleend op een van de andere gronden genoemd in hoofdstuk 12 van de CAO UMC.

4.2.

In Richtlijn 10A inzake herplaatsingen, op 17 juni 2008 vastgesteld door de raad van bestuur, is bepaald dat een herplaatsingsonderzoek in beginsel zes maanden duurt, afhankelijk van de omstandigheden. Eén van de in de Richtlijn genoemde gronden voor herplaatsing is onverenigbaarheid van karakters. Indien daarvan sprake is, kan een medewerker door zijn leidinggevende worden aangewezen als herplaatsingskandidaat.

4.3.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad (7 april 2009, ECLI:NL:CRVB:BK0290) kan de onder 4.1 genoemde ontslaggrond worden toegepast als een in de loop van de tijd ontstane impasse in de weg staat aan vruchtbare verdere samenwerking en voortzetting van het dienstverband redelijkerwijs niet van het bestuursorgaan kan worden verlangd.

4.4.

Appellante wordt niet gevolgd in haar betoog dat de door de vertrouwensbreuk ontstane verstoring van de werkrelatie tussen appellante enerzijds en haar collega’s en leidinggevende anderzijds herstelbaar was. Hierbij is van betekenis dat, na een melding van appellante over incidenten op de afdeling, drie gesprekken zijn gevoerd, waarbij is getracht de arbeidsverhouding te verbeteren. Deze gesprekken hebben de verstoring niet kunnen wegnemen. Op 21 april 2008 heeft een eerste gesprek plaatsgevonden tussen appellante en haar leidinggevende, unithoofd H. Uit het verslag van dit gesprek komt naar voren dat er tussen hun beiden sprake was van een gespannen situatie. Vervolgens heeft op 20 mei 2008 opnieuw een gesprek plaatsgevonden tussen appellante en H, onder leiding van zorgmanager D, waarbij ook de samenwerking met de andere [naam functie] medewerkers aan bod is gekomen. D heeft op basis van dit gesprek geconcludeerd dat hij geen aanleiding zag veranderingen aan te brengen in de samenstelling van [naam afdeling 2], dat hij het beleid van H ondersteunt en dat appellante dit beleid en de werkomstandigheden moet accepteren. Appellante heeft vervolgens aanleiding gezien om in een mail van 23 mei 2008 aan D haar grieven over H uiteen te zetten, waarbij zij te kennen heeft gegeven dat H zich niet houdt aan de fatsoensnormen die passend zijn voor een leidinggevende. Overeenkomstig de wens van appellante zijn vervolgens gesprekken gevoerd met de collega’s van appellante en hebben enkele collega’s een schriftelijke reactie gegeven. D en H hebben daarna op 24 juni 2008 met appellante een gesprek gevoerd, waarbij appellante heeft laten weten geen respect voor H te kunnen opbrengen en ermee akkoord te gaan dat D appellante helpt bij het vinden van een andere werkplek, maar dat een overplaatsing gezien haar gezondheid momenteel niet haalbaar is. Ten slotte is afgesproken dat een arbo-arts advies zal uitbrengen over de vraag of appellante arbeidsongeschikt is en of zij beperkingen heeft en dat appellante naar huis gaat om afstand en rust te nemen. De bedrijfsarts heeft vervolgens op 26 mei 2009 geconcludeerd dat terugkeer naar de eigen plek geen optie is, door het structurele probleem in de arbeidsrelatie.

4.5.

Met het besluit van 20 januari 2010 heeft de raad van bestuur zich, op basis van de Richtlijn, verplicht om binnen zijn gezagsbereik te zoeken naar mogelijkheden voor herplaatsing. Dit besluit staat in rechte vast, nu appellante daartegen geen rechtsmiddelen heeft ingesteld.

4.6.

Het betoog van appellante dat de raad van bestuur zich onvoldoende heeft ingespannen om haar te herplaatsen, slaagt niet. Appellante is voor een periode van acht maanden op een tijdelijke functie bij de afdeling [naam afdeling 3] geplaatst. In het kader van de onder 4.5 genoemde verplichting is appellante begeleid door het Loopbaancentrum van het Erasmus MC, is zij door middel van gesprekken in de gelegenheid gesteld om haar presentatie en zelfbeeld te verbeteren en is zij tijdelijk op een aantal functies geplaatst. Ook is appellante bij wijze van proef geplaatst op een functie. Deze proefplaatsing heeft geleid tot een onvoldoende beoordeling. Gelet op deze inspanningen kon de raad van bestuur zich op het standpunt stellen dat zij in de ziekte van appellante vanaf 9 oktober 2010 geen aanleiding heeft hoeven zien om de herplaatsingstermijn na 1 februari 2011 te verlengen.

4.7.

Gelet op hetgeen onder 4.4 tot en met 4.6 is overwogen was de raad van bestuur bevoegd om appellante met toepassing van artikel 12:12 van de CAO/UMC te ontslaan.

4.8.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad (ECLI:NL:CRVB:2010:BO8173) is een uitkeringsregeling op minimumniveau alleen dan onvoldoende als komt vast te staan dat het bestuursorgaan een overwegend aandeel heeft gehad in het ontstaan en voortbestaan van de situatie die tot het ontslag heeft geleid. Gelet op hetgeen is overwogen in 4.4 tot en met 4.6 kan niet gezegd worden dat de raad van bestuur een overwegend aandeel heeft gehad in het ontstaan en voortbestaan van de tussen partijen ontstane verstoorde verhoudingen. De beroepsgrond van appellante dat haar een aanvullende ontslagvergoeding had moeten worden toegekend treft dan ook geen doel.

4.9.

Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten komt voor bevestiging in aanmerking.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan als voorzitter en J.J.A. Kooijman en C.H. Bangma als leden, in tegenwoordigheid van B. Rikhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 april 2014.

(getekend) K.J. Kraan

(getekend) B. Rikhof

HD