Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:131

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-01-2014
Datum publicatie
23-01-2014
Zaaknummer
11-2252 AWBZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling eigen bijdrage. De berekening van de eigen bijdrage en het daarbij vrij te laten gedeelte voor zak- en kleedgeld berusten op bepalingen die dwingendrechtelijk en limitatief zijn gesteld. Geen strijd met enig hoger algemeen verbindend voorschrift of met enige regel van ongeschreven recht. De aftrekpost “zak- en kleedgeld” heeft betrekking op kosten van levensonderhoud. Anders dan appellant meent is dat niet beperkt tot uitgaven van kleding, maar heeft dat ook betrekking op de door appellant genoemde kosten van voor eigen rekening komende medicijnen, verzekeringspremies, waskosten, administratiekosten, contributies en cursussen, reiskosten, telefoon- en kabelkosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2014/29
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/2252 AWBZ

Datum uitspraak: 22 januari 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van

8 maart 2011, 10/2025 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

CAK

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft zijn vader,[naam vader], tevens bewindvoerder, hoger beroep ingesteld.

CAK heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 oktober 2013, waar[naam vader] is verschenen. CAK heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M.D. Burlage.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant verblijft in verband met zijn beperkingen in een instelling van Lunet Zorggroep. Hij is hiervoor op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) maandelijks een bijdrage voor de kosten die samenhangen met zijn zorg met verblijf (eigen bijdrage) verschuldigd.

1.2.

CAK heeft de hoogte van deze maandelijkse eigen bijdrage voor het jaar 2010 bij besluit van 21 januari 2010 vastgesteld op € 471,81 per maand. Het door appellant tegen dit besluit ingestelde bezwaar is bij besluit van 25 mei 2010 (het bestreden besluit) gedeeltelijk gegrond verklaard. CAK heeft na herberekening op grond van de op 17 mei 2010 van de Belastingdienst verkregen gegevens, de eigen bijdrage ongewijzigd vastgesteld.

2.

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep van appellant ongegrond verklaard. De rechtbank heeft verwezen naar de uitspraak van de Raad van 22 december 2010 (ECLI:NL:CRVB:2010:BO9985) in het geding tussen appellant en CAK over de eigen bijdrage voor het jaar 2008.

3.

Appellant heeft in hoger beroep betoogd dat de aangevallen uitspraak onzorgvuldig, onredelijk en onbillijk is. De eigen bijdrage is sinds 2007 verhoogd terwijl in de afgelopen jaren zijn financiële situatie krapper is geworden, doordat appellant steeds meer kosten voor eigen rekening moet nemen, die voorheen werden vergoed onder de AWBZ. Het vrij besteedbare deel van zijn inkomen is € 197,03 en ligt aanzienlijk lager dan de zogenaamde piepgrens van € 289,26. De aangevallen uitspraak is voorts in strijd met de zorgplicht, omdat de rechtbank door de verhoging in stand te laten voorbijgaat aan de belangen van de meest kwetsbaren in onze samenleving.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1. In artikel 6 van het Bijdragebesluit zorg (Bbz) is bepaald:

“1. Het bijdrageplichtig inkomen wordt als volgt berekend:

a. het inkomen over het peiljaar van de ongehuwde verzekerde (…) wordt verminderd met de door die verzekerde (…) verschuldigde of ingehouden belasting;

b. op het met toepassing van onderdeel a berekende bedrag worden in mindering gebracht:

(…)

2.

zak- en kleedgeld, premies voor een zorgverzekering gecorrigeerd voor de zorgtoeslag, een jonggehandicaptenkorting, een ouderenkorting of extra vrijlatingen, een en ander volgens bij ministeriële regeling te bepalen regels; (…).”

4.1.2. In artikel 2, aanhef en onder a, van de Bijdrageregeling zorg AWBZ (Brz) is het bedrag aan zak- en kleedgeld bepaald. Voor het kalenderjaar 2010 is dit vastgesteld op € 3.385,--.

4.2.

De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, vormen een herhaling van hetgeen hij ook reeds heeft aangevoerd in het geding dat heeft geleid tot de onder 2 genoemde uitspraak van de Raad van 22 december 2010. Voor het thans te beoordelen geschil is de kern van genoemde uitspraak dat de berekening van de eigen bijdrage en het daarbij vrij te laten gedeelte voor zak- en kleedgeld berusten op bepalingen die dwingendrechtelijk en limitatief zijn gesteld en zijn vastgelegd in de onder 4.1 genoemde artikelen. Van strijdigheid van het onder 4.1.2 genoemde artikelonderdeel met enig hoger algemeen verbindend voorschrift of met enige regel van ongeschreven recht is, aldus de uitspraak van 22 december 2010, niet gebleken.

4.3.

De Raad vindt geen aanleiding om in dit geding anders te oordelen en voegt daar nog het volgende aan toe.

4.3.1.

Appellant heeft aan de hand van diverse berekeningen betoogd dat er geen sprake is van vrij besteedbaar zak- en kleedgeld in de omvang van het in artikel 2 van de Brz bepaalde bedrag, nu een groot aantal verplichte kosten van levensonderhoud al ten laste van het zak- en kleedgeld komen en er daardoor slechts een bedrag van € 117,03 ter vrije besteding over is.

4.3.2.

Het in artikel 2 van de Brz gehanteerde begrip “zak- en kleedgeld” is niet gedefinieerd. Zoals de Raad in de onder 2 genoemde uitspraak heeft overwogen is met het bepaalde in artikel 2, aanhef en onder a, van de Brz beoogd het bedrag dat in artikel 31 van de Algemene bijstandswet (ten tijde in geding: artikel 23 van de Wet werk en bijstand (WWB)) als bijstandsnorm is bepaald voor degene die in een inrichting verblijft, en de jonggehandicaptenkorting in mindering te brengen op het bijdrageplichtig inkomen. Deze bijstandsnorm is blijkens de memorie van toelichting op artikel 23 WWB lager dan de bijstandsnorm voor een persoon die zelfstandig woont, omdat degene die in een instelling verblijft niet wordt geconfronteerd met een aantal belangrijke bestaanskosten zoals voeding, huisvesting, verwarming, onderhoud en dergelijke. In deze kosten wordt voorzien door de instelling. De aftrekpost “zak- en kleedgeld” heeft dan ook betrekking op kosten van levensonderhoud. Anders dan appellant meent is dat niet beperkt tot uitgaven van kleding, maar heeft dat ook betrekking op de door appellant genoemde kosten van voor eigen rekening komende medicijnen, verzekeringspremies, waskosten, administratiekosten, contributies en cursussen, reiskosten, telefoon- en kabelkosten. De beroepsgrond van appellant slaagt niet.

4.4.

Gelet op hetgeen hiervoor onder 4.1 tot en met 4.3.2 is overwogen treft het hoger beroep geen doel en dient de aangevallen uitspraak worden bevestigd.

5.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.M.T. Berkel-Kikkert als voorzitter en M.F. Wagner en

G. van Zeben-de Vries als leden, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2014.

(getekend) G.M.T. Berkel-Kikkert

(getekend) Z. Karekezi

QH