Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1309

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-04-2014
Datum publicatie
24-04-2014
Zaaknummer
12-5442 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Disciplinair ontslag. Plichtsverzuim. Hennepplantage. Appellant vervulde een functie in de directe onderwijsomgeving en moest aan studenten het goede voorbeeld geven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/5442 AW

Datum uitspraak: 17 april 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van

27 augustus 2012, 11/1915 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van bestuur van de Politieacademie (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S.S.M. Teklenburg, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 maart 2014. Appellant is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B. van den Berg.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is met ingang van 1 januari 2002 aangesteld als [functie 1] bij het Landelijk Selectie- en Opleidingsinstituut Politie. Sedert 2005 was hij werkzaam als [functie 2] bij de Politieacademie, locatie Eindhoven.

1.2. Naar aanleiding van een op 11 juni 2010 ontvangen melding van de gewezen buurman van appellant dat hij twee jaar geleden bij appellant een hennepplantage had aangetroffen, heeft de Afdeling Integriteit en Veiligheid van de Politieacademie onderzoek verricht. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapportage van 23 december 2010. Vervolgens is een disciplinair onderzoek naar appellant verricht. De bevindingen daarvan zijn neergelegd in een rapportage van 8 februari 2011. De resultaten van het onderzoek zijn voor het college aanleiding geweest om na een voornemen daartoe, waarop appellant zijn zienswijze heeft gegeven, bij besluit van 14 april 2011, voor zover van belang, appellant met ingang van 1 mei 2011 met toepassing van artikel 77, eerste lid, aanhef en onder j, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) disciplinair ontslag te verlenen. Appellant wordt verweten dat hij in de periode van augustus 2003 tot maart 2004 in zijn woning een professionele hennepplantage heeft gehad, waaruit hij meerdere malen heeft geoogst en waarvan hij inkomsten heeft verkregen. Appellant heeft ten behoeve van de plantage illegaal stroom afgetapt van het elektriciteitsnet. Vanaf 2008 heeft appellant wederom een aantal hennepplanten in bezit gehad waarvan hij de oogsten heeft verkocht.

1.3. Bij besluit van 28 september 2011 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 14 april 2011 ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard

3.

Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 76, eerste lid, van het Barp kan de ambtenaar die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt disciplinair worden gestraft. Ingevolge artikel 77, eerste lid, aanhef en onder j, van het Barp kan als straf (onder meer) ontslag worden opgelegd.

4.2.

Appellant erkent het hem door het college verweten gedrag en betwist niet dat dit gedrag plichtsverzuim oplevert als bedoeld in artikel 76, eerste lid, van het Barp. Appellant betoogt dat de disciplinaire straf van ontslag onevenredig is in verband met het tijdsverloop tussen het plichtsverzuim en moment waarop tot bestraffing is overgegaan. Appellant wijst er in dit verband op dat hij in de tussentijd naar behoren heeft gefunctioneerd en dat niet is gebleken dat in die periode het aanzien van de Politieacademie is geschaad.

4.3.

Het plichtsverzuim van appellant rechtvaardigt de zwaarste straf van onvoorwaardelijk ontslag. Van een persoon die werkzaam is bij de politie mag worden verwacht dat hij zich op geen enkele wijze inlaat met de teelt en de verkoop van hennep. Dit betekent niet alleen een ernstige bedreiging voor zijn integriteit, maar het tast ook het aanzien en de geloofwaardigheid van de politieorganisatie aan, zowel intern als extern. Daarbij komt dat appellant een functie vervulde in de directe onderwijsomgeving en aan studenten het goede voorbeeld moest geven.

4.4.

De omstandigheid dat appellant de professionele teelt van hennep in zijn woning reeds in maart 2004 heeft beƫindigd, betekent niet dat het college zeven jaar later niet meer de zwaarste straf mocht opleggen, maar met een lichtere straf had moeten volstaan. Van doorslaggevend belang is dat het professioneel kweken van hennep een zeer ernstige gedraging is. Bovendien heeft appellant ook vanaf 2008 hennepplanten in zijn bezit gehad en de opbrengst daarvan verkocht. Ten slotte is van betekenis dat de omstandigheid dat appellant mogelijk betrokken was bij hennepteelt het college eerst in juni 2010 bekend werd en het onderzoek dat daarna is ingesteld, noodzakelijkerwijs enige tijd heeft gevergd. Gelet op het voorgaande heeft de door appellant gestelde omstandigheid dat hij, ook vanaf maart 2004, naar behoren heeft gefunctioneerd niet die betekenis die hij daaraan toekent. Dat in de periode van maart 2004 tot aan het ontslag van appellant het aanzien van de Politieacademie niet is geschaad, zoals appellant heeft gesteld, is niet van belang. Dit effect doet zich immers pas voor nadat het plichtsverzuim van appellant bekend is geworden.

4.5.

Appellant heeft in hoger beroep zijn beroep op het arrest van de Hoge Raad van 11 mei 2001 (ECLI:NL:HR:2001:AB1559) herhaald. De rechtbank heeft dit beroep terecht verworpen. De Raad verenigt zich met de overwegingen van de rechtbank waarop deze verwerping berust en verwijst daarnaar. Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel.

4.6.

Appellant heeft ten slotte de beroepsgrond herhaald dat het college in strijd heeft gehandeld met het gelijkheidsbeginsel door een docent die in het bezit was van GHB niet te ontslaan, maar met een minder zware straf te volstaan. De rechtbank heeft die beroepsgrond terecht verworpen omdat een feitelijke onderbouwing daarvan ontbreekt. Een onderbouwing heeft appellant ook in hoger beroep niet gegeven. Uit de beschikbare gegevens blijkt niet dat appellant de naam van de betrokken docent heeft genoemd. Van de zijde van het college is ter zitting van de Raad desgevraagd verklaard dat hem geen geval bekend is van een docent van de Politieacademie die is betrapt op het bezit van het verdovend middel GHB. De Raad heeft geen grond om aan deze verklaring te twijfelen.

4.7.

Het hoger beroep van appellant slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking

5.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak

Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan als voorzitter en J.J.A. Kooijman en C.H. Bangma als leden, in tegenwoordigheid van B. Rikhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 april 2014.

(getekend) K.J. Kraan

(getekend) B. Rikhof

HD