Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1293

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-04-2014
Datum publicatie
22-04-2014
Zaaknummer
12-4760 AW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2012:3706, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inschaling. Onvoldoende onderbouwing. Niet is onderzocht wat de taken van appellant precies omvatten en of die taken niet zodanig strategisch van aard zijn dat dit gevolgen moet hebben voor zijn functiebeschrijving en/of inschaling. De tot de functie van appellant behorende combinatie van beschik- en bereikbaarheiddiensten en de achterwacht leidt niet tot een zodanige taakverzwaring dat deze werkzaamheden niet van hem gevergd kunnen worden, dan wel dat die diensten op zichzelf tot een hogere schaalindeling zouden moeten leiden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/4760 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank [plaats] van 12 juli 2012, 11/1934 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te[woonplaats] (appellant)

de Minister van Veiligheid en Justitie (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. F.J.H. Krumpelman, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Mr. Krumpelman heeft nog nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 maart 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Krumpelman. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. J.W. Ahlers en S. Westbroek.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is na een reorganisatie van het Gevangeniswezen bij besluit van 30 september 2009 met ingang van 1 oktober 2009 geplaatst in de functie van vestigingsdirecteur, met als functieschaal 15 van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 (BBRA). De vestiging betrof de Penitentiaire Inrichting [plaats] met de locaties[locatie1],[locatie2],[locatie3] en [locatie4].

1.2. Op 23 november 2009 is met appellant een arbeidsvoorwaardengesprek gevoerd. Naar aanleiding hiervan is bij besluit van 4 juni 2010 onder meer de inschaling van appellant per

1 oktober 2009 vastgesteld op schaal 15 van het BBRA met 10 periodieken. Verder is appellant bij dit besluit aangewezen voor het periodiek verrichten van bereikbaarheid- en beschikbaarheiddiensten. Het door appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 3 december 2010 gedeeltelijk gegrond verklaard. Onder meer is het bezwaar tegen de inschaling in schaal 15 van het BBRA gegrond verklaard, omdat de functies van vestigingsdirecteur en plaatsvervangend vestigingsdirecteur qua inschaling nog geëvalueerd moeten worden. Het bezwaar van appellant tegen de combinatie van het zijn van achterwacht (altijd beschikbaar zijn bij ernstige calamiteiten) en het periodiek verrichten van bereik- en beschikbaarheiddiensten is ongegrond verklaard.

2.1. De rechtbank heeft geconstateerd dat in het plaatsingsbesluit van 30 september 2009 is vermeld dat na een arbeidsvoorwaardengesprek de arbeidsvoorwaarden nog zullen worden vastgesteld. Op het bezwaar van appellant tegen de bij het primaire besluit vastgestelde inschaling in schaal 15 is feitelijk geen beslissing genomen bij het besluit op bezwaar van

3 december 2010 en de inschaling in schaal 15 is gehandhaafd. De rechtbank achtte dit in strijd met het in artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde motiveringsbeginsel en heeft dit besluit om die reden vernietigd.

2.2. In het kader van een finale geschillenbeslechting heeft de rechtbank bezien of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven. Die vraag heeft de rechtbank bevestigend beantwoord. De rechtbank was van oordeel dat de minister in voldoende mate heeft aangetoond dat de bevoegdheid tot beslissen op strategisch niveau in overwegende mate voorbehouden blijft aan de regiodirecteur. Dat door deelname aan het Arrondissementaal Juridisch Beraad (AJB) ook in enige mate de verantwoordelijkheid tot het beslissen op strategisch niveau bij de vestigingsdirecteuren is komen te liggen, maakt dit naar het oordeel van de rechtbank niet anders. De stelling van appellant dat het verschil met de inschaling van de plaatsvervangend vestigingsdirecteuren in schaal 14 zich niet verhoudt met het verschil in zwaarte met de functie van vestigingsdirecteur volgde de rechtbank niet.

2.3. Verder heeft de minister zich naar het oordeel van de rechtbank op het standpunt kunnen stellen dat via de inschaling rekening is gehouden met de hoeveelheid werk voortvloeiend uit de bereik- en beschikbaarheiddiensten. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat bereik- en beschikbaarheiddiensten, in combinatie met de achterwacht, een dusdanige belasting vormen, dat deze werkzaamheden niet van hem gevergd kunnen worden dan wel een hogere inschaling dan schaal 15 rechtvaardigen.

3.

Het hoger beroep is gericht tegen het in stand laten van de rechtsgevolgen door de rechtbank.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellant heeft aangevoerd dat zijn takenpakket in de praktijk meer omvat dan in de functiebeschrijving is neergelegd en dat zijn taken ook zijn uitgebreid ten opzichte van de situatie direct na de reorganisatie. Zijn deelname aan het AJB is inmiddels na herbeoordeling wel in de functiebeschrijving opgenomen, maar dit heeft vooralsnog niet tot een hogere inschaling geleid. In het AJB worden beslissingen op strategisch gebied genomen. Appellant neemt verder ook deel in andere overleggen en neemt ook taken op strategisch gebied over van de regiodirecteur, omdat de regiodirecteur, zoals ook blijkt uit haar zich onder de gedingstukken bevindende rapportage, onvoldoende tijd heeft voor alle taken die bij die functie horen. Appellant heeft onweersproken genoemd zijn deelname aan de Stuurgroep Veiligheidshuis, het Platform Huisvesting Bijzondere Doelgroepen, overleg met de Reclassering en overige ketenpartners, overleg met het College van Advies van het Opleidingsinstituut van de Dienst Justitiële Inrichtingen en zijn optreden als projectleider bij nieuwbouwprojecten op Sint Eustatius en Bonaire. In die laatste hoedanigheid rapporteerde hij niet aan de regiodirecteur, maar rechtstreeks aan de Directie. Kern van het betoog van appellant is dat met zijn inschaling geen recht wordt gedaan aan zijn (ook strategische) taken en verantwoordelijkheden in de praktijk en dat deze qua niveau overeenkomen met die van de algemeen directeur in de oude organisatie, een functie op schaalniveau 16.

4.2.

Verweerder heeft niet bestreden dat appellant deze taken uitvoert, maar blijft van oordeel dat appellant niet verantwoordelijk is voor de ontwikkeling van strategische doelstellingen, maar wel voor de realisatie hiervan.

5.1.

Gezien al hetgeen van de zijde van appellant is aangevoerd, acht de Raad dit standpunt van de minister onvoldoende onderbouwd. Er is wel gesteld dat in de betreffende taken sprake is van tactisch en operationeel beleid dat binnen de functiebeschrijving van appellant valt, maar niet is onderzocht wat de taken van appellant in genoemde gremia precies omvatten en of die taken niet zodanig strategisch van aard zijn dat dit gevolgen moet hebben voor zijn functiebeschrijving en/of inschaling. Reeds om deze reden heeft de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand gelaten. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, komt voor vernietiging in aanmerking.

5.2.

De Raad volgt wel het oordeel van de rechtbank dat de tot de functie van appellant behorende combinatie van beschik- en bereikbaarheiddiensten en de achterwacht niet tot een zodanige taakverzwaring leidt dat deze werkzaamheden niet van hem gevergd kunnen worden, dan wel dat die diensten op zichzelf tot een hogere schaalindeling zouden moeten leiden.

5.3.

De minister zal met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen, op basis van een gedegen onderzoek, opnieuw op het bezwaar van appellant moeten beslissen. Gezien de aard van dit onderzoek is er geen aanleiding voor een tussenuitspraak.

6.

Er is aanleiding de minister te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 974,- aan verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

- bepaalt dat de minister een nieuw besluit op het bezwaar van appellant moet nemen met

inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt de minister in de kosten van appellant tot een bedrag van € 974,-.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en

W. van den Brink als leden, in tegenwoordigheid van S.K. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 april 2014.

(getekend) A. Beuker-Tilstra

(getekend) S.K. Dekker

HD