Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1289

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-04-2014
Datum publicatie
22-04-2014
Zaaknummer
13-2896 BESLU
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toewijzing schadevergoedingsverzoek. Redelijke termijn in de bezwaarfase met negen maanden overschreden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/2896 BESLU

Datum uitspraak: 2 april 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[verzoeker] te [woonplaats], Ierland (verzoeker)

College voor zorgverzekeringen (Cvz)

PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 september 2010, 09/3604, in het geding tussen verzoeker en Cvz.

Bij uitspraak van 29 mei 2013, 10/5935 ZVW (ECLI:NL:CRVB:2013:CA2740), heeft de Raad uitspraak gedaan op het hoger beroep. Daarbij heeft de Raad bepaald dat het onderzoek onder het in de aanhef van deze uitspraak genoemde nummer wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over het verzoek van verzoeker om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Partijen hebben desgevraagd een schriftelijke uiteenzetting gegeven en hebben over en weer gereageerd.

Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat een behandeling ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1. In zijn uitspraak van 29 mei 2013 heeft de Raad, voor zover van belang, vastgesteld dat de behandeling door Cvz van het bezwaar één jaar en bijna drie maanden heeft geduurd.

1.2. Cvz heeft zich onder verwijzing naar rechtspraak van de Raad

(ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009 en ECLI:NL:CRVB:2011:BU7612) op het standpunt gesteld dat een behandelingsduur van één jaar in plaats van een half jaar gerechtvaardigd is. Dit gelet op de complexiteit van de materie en het feit dat Cvz is geconfronteerd met een groot aantal soortgelijke zaken. Dit leidt volgens Cvz tot de conclusie dat de behandelingsduur in de bestuurlijke fase met bijna drie maanden is overschreden en dat € 500,- zou moeten worden vergoed.

1.3. Verzoeker heeft dit standpunt gemotiveerd bestreden.

2.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

2.1.

De vraag of de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van betrokkene gedurende de gehele rechtsgang en de aard van het besluit en het daardoor getroffen belang van betrokkene, zoals ook uit de rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens naar voren komt.

2.2.

In de uitspraak van 29 mei 2013 heeft de Raad vastgesteld dat de behandeling van het bezwaar één jaar en bijna drie maanden heeft geduurd, de behandeling van het beroep bij de rechtbank ruim één jaar en een maand en de behandeling van het hoger beroep door de Raad twee jaar en ruim vijf maanden. Aan deze vaststelling heeft de Raad het vermoeden ontleend dat de redelijke termijn in zowel de bestuurlijke fase als in de rechterlijke fase is overschreden. De Raad stelt vast dat de Staat na die uitspraak aan verzoeker een schadevergoeding heeft toegekend van € 500,-. Vervolgens heeft verzoeker het verzoek met als nummer 13/2895 BESLU, dat uitsluitend op de Staat betrekking heeft, ingetrokken.

2.3.

Vastgesteld wordt dat het verzoek om schadevergoeding wegens schending van de redelijke termijn van artikel 6, eerste lid, van het EVRM thans alleen nog betrekking heeft op het aandeel van de bestuurlijke fase in deze overschrijding.

2.4.1.

De Raad stelt voorop dat hij een behandelingstermijn van zes maanden in beginsel redelijk acht voor de bezwaarfase.

2.4.2.

De behandeling van het bezwaar van verzoeker heeft één jaar en bijna drie maanden geduurd. De Raad ziet in de omstandigheden van het geval geen aanleiding om een langere behandelingsduur dan zes maanden, gerechtvaardigd te achten. Anders dan Cvz heeft aangevoerd, doen zich in dit geval de uitzonderlijke omstandigheden, genoemd in de uitspraak van de Raad van 9 december 2011 (ECLI:NL:CRVB:2011:BU7612), niet meer voor.

2.5.

Uit 2.1 tot en met 2.4.2 vloeit voort dat de redelijke termijn in de bezwaarfase met negen maanden is overschreden. De Raad acht gelet hierop een schadevergoeding van
€ 1.000,- aangewezen.

3.

Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten in de schadestaatprocedure is de Raad niet gebleken.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep veroordeelt Cvz tot betaling aan verzoeker van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 1.000,-.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 april 2014.

(getekend) R.M. van Male

(getekend) Z. Karekezi

CVG