Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:1277

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-04-2014
Datum publicatie
17-04-2014
Zaaknummer
13-472 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking ZW-uitkering. Arbeidsgeschikt voor de maatgevende arbeid. Voldoende zorgvuldig medisch onderzoek. Onvoldoende bevestiging voor de stelling van appellant dat het door het niet gebruiken van medicijnen rond de datum in geding aannemelijk is dat er sprake was van toename van psychische klachten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/472 ZW

Datum uitspraak: 16 april 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 13 december 2012, 12/4016 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H. Pasman, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 maart 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Pasman. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M.W.A. Blind.

OVERWEGINGEN

1.

Appellant heeft zich per 17 mei 2005 ziek gemeld voor zijn werk als machine operator wegens knie- en buikklachten en een verminderede psychische belastbaarheid ten gevolge van verslavingsproblematiek en psychosociale problemen. Vervolgens heeft appellant een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet Wia) aangevraagd. Bij besluit van 7 mei 2007 heeft het Uwv geweigerd appellant in aanmerking te brengen voor een Wia-uitkering omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht. Dit besluit is in bezwaar gehandhaafd en tegen dat besluit is geen rechtsmiddel aangewend.

Appellant ontving vervolgens een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) en heeft zich vanuit de WW meerdere malen ziek gemeld. Laatstelijk is aan appellant met ingang van 1 oktober 2010, de datum dat hij in een kliniek werd opgenomen, ziekengeld toegekend wegens arbeidsongeschiktheid in verband met psychische klachten ten gevolge van drugsgebruik.

2.

Bij besluit van 28 juni 2012 heeft het Uwv aan appellant medegedeeld dat hij niet langer arbeidsongeschikt wordt geacht voor de maatgevende arbeid. Zijn uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) is per 2 juli 2012 ingetrokken.

3.

Bij besluit van 19 juli 2012 (bestreden besluit) is het bezwaar gericht tegen het besluit van 28 juni 2012 ongegrond verklaard.

4.

Bij de aangevallen uitspraak is het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft - samengevat - overwogen dat het verzekeringsgeneeskundige onderzoek zorgvuldig is geweest en dat er onvoldoende aanleiding is om te twijfelen aan de conclusies daaruit. In de rapporten is op inzichtelijke wijze onderbouwd hoe de verzekeringsartsen tot hun conclusie zijn gekomen, en dat appellant in medisch opzicht weer in staat moet worden geacht de in aanmerking komende arbeid te verrichten. Dat de verzekeringsarts(en) geen lichamelijk onderzoek hebben verricht maar het onderzoek beperkt hebben tot de psychische klachten van appellant wordt niet onzorgvuldig geacht omdat appellant zich niet met lichamelijke maar met psychische klachten heeft ziek gemeld. Uit de stukken blijkt niet dat hij tijdens de onderzoeken heeft aangegeven dat er (ook) sprake was van toename van de lichamelijke beperkingen. De stelling dat de lichamelijke beperkingen zijn toegenomen, is ook niet met nadere medische gegevens onderbouwd.

Ook het zogenaamde groeidocument van verslavingsarts F.J. Moet van 30 maart 2011 en de ingezonden patiëntenkaart van de huisarts heeft de rechtbank niet tot een andere conclusie geleid. Het groeidocument bevat geen gegevens rond de datum in geding. Dat is wel het geval met betrekking tot de informatie van de huisarts, maar de rechtbank heeft daarover geoordeeld dat bezwaarverzekeringsarts Gommers in zijn rapport van 21 november 2012 op inzichtelijke wijze heeft onderbouwd dat hierin geen aanwijzing kan worden gevonden dat bij appellant op de datum in geding sprake was van een psychose, waarbij de rechtbank mede heeft betrokken dat appellant door genoemde bezwaarverzekeringsarts is gezien bij de hoorzitting van 17 juli 2012 en de bezwaarverzekeringsarts heeft gesteld dat er toen geen sprake was van toename van psychiatrische klachten of een psychose.

De rechtbank heeft geen reden gezien te twijfelen aan het oordeel van de verzekeringsartsen dat appellant, in ieder geval, geschikt kan worden geacht voor de in 2007 geduide functie “stikker meubelkleding” met SBC-code 272043. Uit de hierboven genoemde onderzoeken van de verzekeringsartsen kan worden aangenomen dat de beperkingen per 2 juli 2012 weer gelijk waren aan die welke in 2007 zijn vastgesteld, zodat de conclusie dat appellant weer geschikt kan worden geacht voor de destijds geduide functies, in ieder geval de hierboven genoemde functie, als juist kan worden aanvaard.

Wat betreft de stelling dat medicijngebruik aan het verrichten van deze arbeid in de weg staat, heeft de rechtbank overwogen dat zij, nu van de zijde van appellant hier niets tegenover is gesteld, geen reden heeft te twijfelen aan hetgeen bezwaarverzekeringsarts Gommers in zijn rapport van 7 november 2012 heeft gesteld, namelijk dat het medicijn dat eiser gebruikt alleen de eerste twee dagen een negatieve invloed heeft op de rijvaardigheid c.q. het reactievermogen en dat de indruk die eiser gaf tijdens de onderzoeken geen indicatie vormde voor het beperken van het reactievermogen of het opleggen van een verbod tot autorijden.

5.

In hoger beroep heeft appellant naar voren gebracht dat de verzekeringsarts(en) zich gebaseerd hebben op verouderde medische informatie. Een spreekuurcontact duurt te kort om een juist beeld te kunnen vormen, zodat actuele informatie opgevraagd had moeten worden. Op de datum in geding gebruikte appellant geen medicatie. Het is dan ook zeer aannemelijk dat toen reeds sprake was van een toename van de psychiatrische klachten. De huisarts schrijft dat appellant in juli 2012 veel meer last had van onrust, verwardheid en hallucinaties waardoor hij zich niet kon concentreren. Werken was volgens de huisarts, zeker in juli 2012, onmogelijk. Volgens appellant heeft de rechtbank dan ook ten onrechte overwogen dat het onderzoek zorgvuldig heeft plaatsgevonden. Uit de medische informatie blijkt dat appellant in medisch opzicht niet weer in staat was om de in aanmerking komende arbeid te verrichten.

De eerder geduide functie van stikker die als maatstaf voor de in aanmerking te nemen arbeid is genoemd, is niet geschikt. Appellant is niet in staat een voetpedaal van de naaimachine te bedienen. Dit is gezien de pijnklachten in de benen onmogelijk. Bovendien is vereist dat hij gevoel moet hebben voor werken met een naaimachine, hetgeen niet aan de orde is.

6.1.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

6.2.

De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het onderzoek door de verzekeringsarts(en) voldoende zorgvuldig is geweest. De (bezwaar)verzekeringsartsen hebben appellant gezien, de verschillende klachten in ogenschouw genomen en zij beschikten over relevante medische informatie. Zij waren zodoende ook bekend met de medicijnen die appellant gebruikte.

6.3.

De Raad vindt in de voorhanden gegevens onvoldoende bevestiging voor de stelling van appellant dat het door het niet gebruiken van medicijnen rond de datum in geding aannemelijk is dat er sprake was van toename van psychische klachten. Weliswaar noemt de huisarts van appellant in de brief van 26 februari 2013 onrust, verwardheid en hallucinaties in juli 2012 waardoor hij niet kon werken, maar noch in de gegevens op de patiëntenkaart rond 2 juli 2012, noch in het schrijven van de huisarts van 22 november 2012 zijn voldoende aanknopingspunten te vinden voor zo’n vergaande conclusie. De patiëntenkaart rept eerst eind juli 2012 over een psychose, waarbij uit de vervolgconsulten in die periode kan worden betwijfeld of deze daadwerkelijk is ontstaan. De Raad merkt hierbij op dat de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van 18 juli 2012, dus slechts ruim twee weken na de datum in geding, vermeldt dat geen sprake is van duidelijke (motorische) onrust, geen duidelijke cognitieve functiestoornissen, en dat appellant vlot en coherent, vriendelijk en coöperatief zijn verhaal vertelt. Hij was zeker niet verward. Uit de informatie van de huisarts blijkt dat er al tijden sprake is van hallucinaties, maar deze hebben een werkhervatting niet in de weg gestaan. In het licht van al deze gegevens en beoordelingen kent de Raad aan de opvatting van de huisarts in de brief van 26 februari 2013, die dateert van ruim na de datum in geding, niet het gewicht toe die appellant daaraan toegekend wenst te zien.

6.4.

De gestelde beenklachten (het “vollopen” van de benen) is niet met objectieve medische gegevens onderbouwd. De verzekeringsarts heeft geen afwijkingen geconstateerd en pas in 2013 acht de huisarts nader onderzoek noodzakelijk.

6.5.

De Raad ziet geen aanleiding om de functie stikker ongeschikt te achten. De Raad verwijst hieromtrent naar de overwegingen van de rechtbank in de aangevallen uitspraak. Daarbij wordt nog opgemerkt dat gevoel hebben voor het werken met een naaimachine niet wordt gevraagd in deze functie, maar in de functie met SBC-code 111160.

7.

Uit hetgeen is overwogen in 6.2 tot en met 6.5 volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

8.

Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 april 2014.

(getekend) J.S. van der Kolk

(getekend) Z. Karekezi

IvR